HomeDe taak der wijsbegeertePagina 23

JPEG (Deze pagina), 856.24 KB

TIFF (Deze pagina), 8.33 MB

PDF (Volledig document), 37.54 MB

9
i 2I
j wij, dan dat het eene komt na het andere. Dat het
{ eene komt tengevolge van het andere, is nog nooit
aanschouwd. Toch gewagen wij van oorzaak en gevolg,
ja de gansche achtbare rij der wetenschappen leeft
J! van het causaalverband, een verband, nog nooit door
`f eenig wezen ervaren. Maar laat het zijn, dat de
metaphysica, pogende het Zijn te doorvorschen, zich
afmartelt met een arbeid, waarbij slagen onmogelijk
is, dan is daarmede nog niet bewezen, dat zij hare
` pogingen heeft op te geven. Er zou alleen uit volgen,
dat de metaphysica een wetenschap is, die het hoog-
stens kan brengen tot hypothesen. Welnu, zij is
, bereid, daarmede genoegen te nemen. Maar, in
het volle bewustzijn hoe bescheiden haar vermo-
gen is, verheft zij toch fier het hoofd. »Wel ben
ik oud," zegt zij, »maar niet der dagen zat. Wil
ii eens opmerken, hoeveel dwaasheid de menschen
j al hebben gephantaseerd omtrent het geheimzin-
j nige zijn der dingen, dat zij nooit weder zouden J
{ hebben afgeleerd, ware ik, metaphysica, er niet ge-
weest met mijne critiek. Gij hebt gelijk, nergens, dus
T ook niet in het rijk der phantasie, komt onzin te pas. i,
Maar wie zou den onzin der menschelijke phantasie
u omtrent het Zijn hebben aangewezen, zoo het niet
geschied ware door mij? En daarenboven: zijn al f
j mijne ontwerpen louter dwaling en dwaasheid, dan ;,
i kan er ook niet worden gewaagd van vooruitgang
l in mijne onderzoekingen. Trappen van dwaling zijn j
er niet. Welnu: vooruitgang in mijn werk zult gij
niet willen loochenen. Vergelijk eens wat ik, nu vier +
j en twintig eeuwen geleden, sprak door den mond i
l van Thales, van Anaximenes, van Heraclitus met wat
I
l g
j .
l
­
j ;