HomeVrijzinnig verweerPagina 21

JPEG (Deze pagina), 1.04 MB

TIFF (Deze pagina), 7.27 MB

PDF (Volledig document), 37.03 MB

18 *7
of liever behoeft niet te zijn iemand uitmuntend in persoonlijke gaven
en sterkte, maar is meest iemand, die slechts sterk is door wapen- ‘ __
bezit (b.v. kapitaal). Wij daarentegen eischen hulp aan den oecono-
misch-zwakken, om des te beter de ethisch­zwakken te kunnen ver-
wijderen, 2) opdat de maatschappij en de menschheid zich mogen gj!
ontwikkelen tot rijker en heerlijker leven. Wij zijn van oordeel dat de
staat niet mag dulden, dat toestanden en verhoudingen onder zijn
burgers bestaan en worden in het leven geroepen, die in strijd zijn
met onze moderne ideeën van recht en billijkheid. Het is de plicht
van den staat te waken over de algemeene oeconomische belangen
zijner burgers. Niet overal en altijd behoeft evenwel de staat in te
grijpen, maar slechts daar waar de oeconomisch-sterke van zijn macht
misbruik maakt tegenover zijn zwakkeren broeder, hem verdrukt of te
kort doet.
Wij wenschen verder, dat de staat de ontwikkelings-voorwaarden
op oeconomisch en geestelijk gebied voor allen gelijk zal maken, ge-
legenheid tot ontwikkeling zal verschaffen aan ieder talent en elke
gave, die nu door ongunstige oeconomische omstandigheden wordt
verstikt, opdat het intellectueel en ethisch peil van het volk worde
verhoogd, opdat aan ieder de plaats in de maatschappij toekome, waarop
natuurlijke gaven en talenten hem recht geven. In den tegenwoordigen
tijd brengen zij, die stoffelijk bevoorrecht zijn boven hun medemenschen,
het veel verder dan hun minder bevoorrechte broeders, wier gaven
aan de hunne gelijk zijn, of -­ en dan wordt ’t onrecht nog te
grooter! - ze soms wel overtreffen. Zoo iets mogen wij niet dulden!
leder worde de plaats toegekend, waarop intellect en ethos hem recht fit ‘
‘ geven! Ons volk, de gansche menschheid kan daarvan slechts voor-
deel hebben. Hoevelen zijn er nu immers niet, die der menschheid
niet geven, wat zij wel zouden kunnen geven, als hun oeconomischen
toestand slechts gunstiger was! ‘ Sir
Ons gansche volk lijdt er onder, omdat het grootste deel der
burgers in gebrekkige omstandigheden leeft, omdat het zelfs de eerste
levensbehoeften zich niet vermag te verwerven. Hoeveel werk zal er
niet komen, hoeveel nijvere handen zullen niet noodig blijken om! in
de behoeften van dat groote volksdeel te voorzien, als het ons geluk-
ken mag hem welvaaiät te verschaffen. De menschen gelukkig maken
zal de staat niet vermogen, maar hun den weg tot geluk open te j
stellen, dat vermag hij wel. En hij doet zijn plicht te kort, wanneer
hij dit nalaat. °y·
Men meene niet dat door staatsbemoeiïng op oeconomisch ge-