HomeHet christendom en de sociale kwestiePagina 51

JPEG (Deze pagina), 850.28 KB

TIFF (Deze pagina), 7.19 MB

PDF (Volledig document), 58.33 MB

37
Het is duidelijk dat de prikkel tot vlijtigen arbeid en l
spaarzaamheid, die gelegen is in de gedachte dat men
voor de zijnen bijeenbrengt, volstrekt niet zou komen te
vervallen. Hoe meer men zich inspande en met vrucht
J werkzaam was, zooveel te beter zou men het ook bij de ver-
onderstelde nieuwe regeling den zijnen kunnen geven. Na
x den dood zou hun bovendien een altijd zeeraanmerkelij k,ver­
reweg het grootste deel blijven van hetverworven vermogen.
H De zucht om aan kinderen of familie kapitaal na te
laten oefent trouwens wel veel, maar m.i. geenszins zoo
· overwegenden invloed als somtijds wordt gedacht. Eens-
A deels ligt het in ’s menschen aard dat hij, afgezien van de
” gevolgen voor de zijnen in de toekomst, gaarne zijne
i inkomsten op dezelfde hoogte wil zien blijven, ze zelfs
wil zien toenemen. Voor een deel wordt hij daarbij ge-
dreven door de begeerte om als een ijverig,ondernemend
J man bekend te staan, voor een ander deel door vrees of
. misschien niet vermindering van inkomsten eene al te
snelle vaart zou kunnen nemen, zoodat hij zich zelfs
zou kunnen moeten bekrimpen op den duur. Kinderloo­
· zen veroorloven zich zeker in den regel meer uitgaven
van weelde maar beteonen, zou ik willen denken, niet
altijd zooveel minder energie. VVie zou meenen dat zij
· daarbij worden aangespoord door de gedachte aan meer
. verwijderde bloedverwanten, miskent m.i. den werkelijken
jo toestand. De zaak is veeleer dat zuoht tot werkzaamheid,
een min of meer levendig. besef dat iemand zich bij deze
E alleen gelukkig gevoelt, den mensch aangeboren is. Hij
j schept van nature behagen in arbeidzaamheid, zooals het
á