HomeHet christendom en de sociale kwestiePagina 43

JPEG (Deze pagina), 850.57 KB

TIFF (Deze pagina), 7.27 MB

PDF (Volledig document), 58.33 MB

Y . 29 u
li . . .
{ heid ten grondslag ligt. Er is tot op zekere hoogte
’ eenheid tusschen familieleden, tusschen ouders en kin-
4 deren vooral, in zoovertengevolge van overerving en
` nauweren omgang neigingen, aanleg, enz. bij hen eeniger-
h mate dezelfden zijn. Met nadruk is evenwel door het
A Christendom de gedachte op den voorgrond gesteld dat
ieder mensch een zelfstandig individu is. Den alouden
familie- zoowel als den volksband heef’t het eenigermate
helpen losmaken. Het heeft een einde doen komen aan den
toestand dat men zich tot de leden zijner familie en tot die
, van het eigen volk in eene geheel bijzondere verhouding
stelde, gansch anders dan tot wie stonden buiten die krin-
gen. Met kracht heeft het de beteekenis gepredikt van
iederen mensch als een zelfstandig individu, op het voet-
spoor van in later tijd onder Israël uitgesproken denkbeel-
den. Daar had aanvankelijk eveneens de beschouwing gegol­
den dat familieleden verantwoordelijk waren met elkaar '),
‘ maar waren allengs andere naar de Christelijke beschou-
"‘ wing heenwijzende gedachten opgekomen. 2)
E Bij het vervallen echter van de aloude beschouwing dat
de familiën onderling afgesloten eenheden vormen, houdt
ook de oude regeling van het erfrecht, in dier voege dat
de nalatenschappen bij voorkeur en zooveel mogelijk in
i de familie moesten blijven, op gerechtvaardigd te zijn.
Treedt de christelijke beschouwing dat de individuen tot
op zekere hoogte zelfstandig zijn ten opzichte van de
familie waartoe zij behooren, voor de vroegere in de
') Vgl. o.a. Exod. 20: 5; 2 Sam. 21: 1-9. '
2) Jcrem. 31 :29 v.; Ezech. 18; Douteron. 7: 10; 24 2 lis.