HomeHet christendom en de sociale kwestiePagina 39

JPEG (Deze pagina), 822.36 KB

TIFF (Deze pagina), 7.19 MB

PDF (Volledig document), 58.33 MB

v
1
l
. li -
l
` 25
gen en krijgen. Dergelijke misstanden zouden niet in het
leven getreden zijn, altha.ns niet in zulk eene mate als
nu, indien ieder altijd maar alleen over een billijk loon
voor zijn eigen arbeid te beschikken had gehad.
Q In ’t algemeen zijn beide instellingen natuurlijk te
1 rechtvaardigen.
F Vooruit doet ons gevoel ons reeds erkennen dat de
instelling volkomen terecht bestaat, volgens welke kin- `
deren aanspraak hebben op hetgeen door de ouders, en
bloedverwanten eenigermate op wat door nabestaanden
I wordt nagelaten. Ook laat zich het recht er van bij
nadenken duidelijk inzien. Kinderen ontvangen ten deele
j van hunne ouders bij overerving hun aanleg, verder
, door de opleiding, waarop de ouders zoo grooten invloed
’ oefenen, hunne aanvankelijke ontwikkeling. Met deze
laatste erlangen zij intusschen geenszins reeds alles wat
noodig is voor ontplooiing hunner geestelijke vermogens.
Zij hebben daarna ook nog aan stoifelijk kapitaal behoefte.
¤ Het ligt voor de hand dat men in deze behoefte voorziet
{ door het kind een deel te laten ontvangen van wat de
ouders bijeénbrachten. Zelfs een ruim deel daarvan. Ter- . »
) stond valt immers in het oog dat de kinderen gewenden
aan een zekere manier van leven, waarvan zij niet geheel
en al afstand kunnen doen of hunne werkkracht zou er
te ernstig schade door lijden. ·
D Allicht zal het feit dat iemand kinderlooze bloedver-
. wanten bezit, die hem van nabij bestaan, eveneens eenigen
Xi, invloed oefenen op den levensstandaard. Ook van hun-
‘ nentwege zal dengene die er behoefte aan heeft, tijdens
l