HomeDrie stelsels van handelspolitiekPagina 22

JPEG (Deze pagina), 960.45 KB

TIFF (Deze pagina), 7.04 MB

PDF (Volledig document), 71.37 MB

i
20 {
Men lhëtg niet aannemen, dat de klachten over werkeloos- l
heid geheel ongegrond zijn en evenmin, dat de vele comités j
die zich vormden tot leniging er van, opgericht zijn ter be-
` strijding van een denkbeeldige kwaal. Ook het groot getal
van hen, die buitenslands arbeid zoeken, wijst er op dat V?
veel arbeidskracht in ons land onbenut is.
Doch, en dit is een belangrijk punt, is de arbeidskracht jj
van hen die arbeiden ten volle in beslag genomen? Zijn er 1
geen arbeiders die meer, en meer geregeld, arbeid kunnen
_ verrichten; geen industriëelen die meer kunnen produceeren; .
geen handelaars die meer zaken kunnen doen; geen Winke- Z
liers die meer goederen kunnen afzetten; geen advocaten die ` .
grooter praktijk kunnen hebben? Doch laat mij liever om-
gekeerd de vraag stellen: Hoeveel producenten zouden er `
wel in Nederland zijn die niet meer arbeid kunnen verrich-
ten dan zij nu doen? En toont niet het streven tot verbete-
ring van de positie der vrouw ten duidelijkste aan, dat ook
bij het vrouwelijk deel der natie een grootehoeveelheid ar-
beidskracht ongebruikt is? i
Hoe kan men dan beweren dat, wanneer een nieuw arbeids-
veld verkregen wordt, dit slechts bewerkt kan worden op W
kosten van anderen arbeid?
Doch al arbeidt de werkman geregeld en zonder verlet, i
staat het dan vast dat hij oeconomiseh het maximum pro-
duceert dat zijn arbeidskracht kan voortbrengen? jj W
Zij die kennis genomen hebben van de industriëele toe- .
standen in Amerika, stemmen overeen in één punt van ver-
bazing: tot welke hoogte men het in Amerika gebracht heeft l
om den handenarbeid door machinalen arbeid te vervangen; I
of met andere woorden hoe 1nen er in geslaagd is den arbeid
waardevoller te maken. Door de duurte der arbeidskrachten
gedreven, zoekt men daar den arbeid tot zijn maximum van {G
productiviteit op te voeren. En met welk resultaat zoowel '
voor de industrie als voor den arbeider! Say teekent het in
een schoon beeld, waar hij op pag. 183 ons schetst de voor-