HomeBeschouwingen over de gemeente-financiënPagina 54

JPEG (Deze pagina), 737.55 KB

TIFF (Deze pagina), 5.70 MB

PDF (Volledig document), 62.96 MB

1 ‘ 52
A Welke gedachte ligt nu aan het streven tot invoering
dezer belasting ten grondslag?
Wanneer men ons belastingstelsel nauwkeurig onder~ , 1.
L zoekt, dan zal men aanstonds tot de conclusie komen, dat
ons stelsel weinig aanmoedigends ten aanzien der kapitaal- U
A vorming voor de breede lagen van ons volk inhoudt. .
è Duidelijk blijkt dit uit het tweede en derde lid van Art. 19
1 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, luidende: ‘
g ,,Voor de pemiën, bedoeld onder letter d van het vorige _
J ,,lid*), kan niet meer dan vijf ten honderd van het inkomen
{ ` ,,en niet meer dan f 100 worden afgetrokken."
; ,,Ter zake van onderhoud en opvoeding van minder~
.,jarige kinderen is geen aftrek toegelaten."
Het kapitaalvormend of economisch karakter wordt er
i derhalye tevergeefs in gezocht. Immers ten aanzien der
belastingheffing wordt geen onderscheid gemaakt tusschen
I het verteerde en orwerteerde deel van het inkomen, doch de
; berekening geschiedt naar het geheele inkomen. Het doel
` van de verteringsbelasting is nu het inkomen te splitsen in :
a. een verteringsinkomen,
‘ en
b. een opleg~inkomen,
en het eerste op te vatten in den zin van een bestaans~
minimum.
De inkomstenbelasting is als een samenstel van belas~
*) Van het volgens Art. 12 t/m 18 bepaalde inkomen worden, ter
berekening van het belastbaar (zuiver) inkomen, afgetrokken de door
den belastingplichtige verschuldigde en niet met eene bron van zijn `
inkomen in verband staande:
a. lijfrenten, pensioenen, en andere periodieke uitkeeringen en ver»
strekkingen als bedoeld bij Art. 8:
b. altijd durende renten:
c. renten van andere schulden:
d. premiën van levensverzekering, lijfrente of pensioen:
, een en ander tot het jaarlijksche bedrag bij den aanvang van het be-
3 lastingjaar of bij het ontstaan van den belastingplicht in den loop van
_ dat jaar.