HomeBeschouwingen over de gemeente-financiënPagina 53

JPEG (Deze pagina), 860.40 KB

TIFF (Deze pagina), 5.69 MB

PDF (Volledig document), 62.96 MB

» 1
51 j
December 1920 verleende bevoegdheid om hun gemeentelijk
belastingstelsel uit te breiden.
Het behoeft nauwelijks betoog, dat bij het hooren van
plannen tot uitbreiding van het gemeentelijk belasting~
gebied het aantal opposanten eerder toe dan af zal nemen. ‘;
Op het overheidsbestuur zal nog meer kritiek worden uit~ {
geoefend; kritiek, die slechts afbreekt en niet opbouwt, l
A want nimmer heeft men zijn wenschen in geformuleerde
voorstellen vastgelegd. Tegen invoering van nieuwe belas~ j
tingen wordt slechts geprotesteerd. En het is merkwaardig, ‘f
dat deze protesten in den regel niet zoozeer gaan tegen
den zwaren belastingdruk in het algemeen, als wel h0ofd~
zakelijk tegen de soort en de hoegrootheid der belasting, Y j
welke speciaal zekere categorieën van belastingcontribuanten
treft. Zulk een actie, welke slechts verdediging van groeps~
belangen beoogt en doorgaans het algemeen belang schaadt, `
kan uit dien hoofde bij de groote massa van het publiek gl
geen bescherming vinden. Het stelsel der belastingwet~
geving, waarin juist het criterium der onbillijkheid schuilt,
en waartegen de overgroote meerderheid een veroordeel
heeft, wordt niet aangevochten.
Reorganisatie van ons belastingstelsel zal dus heel wat
kwaad bloed kunnen wegnemen, mits zij op een democra~ §
tischen grondslag rust. Hierbij zal het beginsel Uheffing naar
draagkracht" als het overheerschende beginsel moeten
blijven gelden, met dien verstande, dat met de gezinssterkte ‘
rekening dient te worden gehouden.
Als maatstaf voor de draagkracht geldt nog steeds het g
bedrag van het inkomen of van het vermogen. Doch deze
maatstaf draagt volgens de meening van velen een eenzijdig
karakter, daar de vertering ook een maatstaf biedt voor de
draagkracht van het individu. Maar vindt dit laatste niet
reeds zijn equivalent in de personeele belasting en de accijn~
zen op levensmiddelen? Alhoewel dit niet valt te ontkennen,
toch mag dit geen reden zijn tot het achterwege laten van
een uit billijkheidsoogpunt gemotiveerde herziening.
‘ {

5