HomeBeschouwingen over de gemeente-financiënPagina 14

JPEG (Deze pagina), 875.62 KB

TIFF (Deze pagina), 6.03 MB

PDF (Volledig document), 62.96 MB

12
‘ den ambtenaar op diens geestestoestand. Want de grootste
2 prikkel, welke uitsluitend in het particulier bedrijf voorzit,
en welke niet kan worden gemist, om tot een zoo econo· A
‘ imsch mogelijk beheer in al zijn onderdeelen te komen,
vormt het winstgevend karakter. f
Het ligt voor de hand, dat, waar nu aan den eenen kant
het belastbaar inkomen sterk terugloopt, en aan den anderen
V kant de uitgaven nog zwaarder zijn geworden, het herstellen r
van het evenwicht tusschen de gewone uitgaven en ont~
vangsten zeer moeilijk is. Nu ontvangen de gemeenten wel
` is waar uit nieuwe belastingen, tot de heffing waarvan de
l Wet tot verruiming van het plaatselijk belastinggebied
(Wet van 30 Dec. 1920, Stbl. No. 923) de bevoegdheid I
W geeft, meer inkomsten, doch deze vermochten geen vol~ ‘ A
_ doende compensatie voor de meerdere uitgaven bieden.
l Zal nu de moeilijkheid om een sluitende begrooting te
l brengen toe~ of afnemen? Beschouwt men elk dienstjaar
op zich zelf, dan zal de moeilijkheid zich in toenemende
1 mate voordoen. Die gemeentebesturen, welke echter het 1
l ‘ meervermeld saldo over de eerstvolgende jaren na 1922 ver··
1 deeld hebben, zullen geen, althans minder last in die jaren _
· hiervan ondervinden dan zij, die eenige andere politiek
{ ter zake hebben gevolgd.
De gemeente toch is een verbruikshuishouding. Elk
A dienstjaar is op zich zelf aangewezen, tusschen ontvangsten
1 en uitgaven behoort derhalve evenwicht te zijn. Is er een
n overschot, dan behoort dit niet de gemeente, doch haar _
j ingezetenen, zoodat het niet meer dan billijk is, dat dit meer··
dere den belastingbetalers wordt gerestitueerd. Natuurlijk
` zal men hiertoe dan alleen overgaan, wanneer het bedrag
E van eenige beteekenis is. Heeft men een tekort en zou elk
dienstjaar streng gesepareerd zijn, dus het eene dienstjaar
niet in het andere loopen, dan zou het gemeentebestuur aan
zijn laatste geldelijke verplichtingen over 200,11 jaar veelal
niet kunnen voldoen.
j Het huidige begrooting~ en rekeningstelsel kleeft alzoo
‘ Zïïü