HomeHedendaags mirakelgeloofPagina 57

JPEG (Deze pagina), 1.16 MB

TIFF (Deze pagina), 8.46 MB

PDF (Volledig document), 70.64 MB

1 _ 53
bijna al die verrichtingen als wezenlijk aanvaard. Alleen ik zou er
een korreltje zout op willen strooien.
1 Het komt mij voor, dat men de daden der roedegangers moet
' indeelen in twee groepen. Allereerst die aanwijzingen, welke feiten
betreffen, waaromtrent noch zij zelve, noch iemand anders eenige
gegevens bezaten, noch konden hebben. Dan de aanwijzingen betref~ n
fende zaken, waaromtrent gegevens, langs een omweg, voor hen ver~
krijgbaar waren.
Beginnen wij met de eerste groep. Als zoodanig zou men kunnen `
beschouwen het aanwijzen van diep in den bodem aanwezig water en
het va_ststellen van de diepte ervan, of het erkennen der aanwezigheid
van eenige stof, zooals steenkool, metaalertsen enz., dit alles wel te ,
W verstaan op plaatsen, waar nergens eenig spoor van uiterlijk kenmerk
A de aanwezigheid der gezochte zaken verried. Gelooft men de roede~
3 vereerders, dan is er bijkans geen mijn op aarde, of hij is door het
rijsje van Mercurius aan het licht gebracht. Nu is dat een gemakke~
lijke verzekering. Talrijke mijnen worden sedert onheuglijke tijden
ontgonnen en hun ontdekking ligt in de nevelen van een vóórgeschied~
_ kundig verleden verborgen. Van andere, omtrent wier blootlegging
oorkonden bestaan, leeren deze ons van de wichelroede niets.
{ DARAPSKY1) heel: iiicMATTi~1iss w1LLE’s ,,De salie origine", Jena
si 1686, de ontdekking aan van enkele der belangrijkste Duitsche berg~
beddingen. Zoo bijv. van den Rammelsberg bij Goslar in den Harz
(ontdekt in het jaar 970), van den Wildenmann ook in den Harz (1045),
., van den Freiberg in Saksen (1170), van den St. Annaberg in het
Erzgebergte .... De legende of de geschiedenis, laat ons zeggen: de
3 kronieken, verhalen hoe de hoef van een paard, een droom, de toe~
vallige vondst door een karrevoerder, die mijnen deden ontdekken.
l Waarheid of verdichtsel, maar van de roede geen woord. ,,Het
1 roedeloopen kwam pas in zwang, toen het meest gewichtige al ont~
dekt was .... Toen was er nog altijd wel wat te halen, zoo niet uit J ‘
` de bergen . . . dan toch uit de zakken der domooren," voegt DARAPSKY I i
" daar vriendelijk aan toe. De ingenieur F. KöNIG 2), schrijver van een i l
aardige brochure over het roedeloopen, merkt nog op, dat het vreemd
is, dat pas in dezen, naar steenkool hongerenden tijd de roede ook
@2* hierdoor opspringt: zij heeft zich blijkbaar aan de hedendaagsche (
behoeften aangepast, want in vroeger eeuwen, toen toch ook de `1
steenkool in de schoot der aarde rustte, heeft de roede, bij het veel~ / (
vuldig roedeloopen van het bergvolk, zich over steenkool nooit , __
bewogen. `
. . A I) l. c. Bladzij 33. ' l
2) FRIEDRICH KöNIG. Ernstes und heiteres aus dem Zauberreiche der Wänschelrute,
WIGAND. Leipzig, 1907. ii
v:{
J
jl
J l
l