HomeEen en ander over de reconstructie der oorlogsvlootPagina 13

JPEG (Deze pagina), 833.30 KB

TIFF (Deze pagina), 6.91 MB

PDF (Volledig document), 32.62 MB

.. . ... in
11
ging van het Koninklijk Besluit van 1866 nader van gedachten
was gewisseld, werden de stukken onlangs naar Indie gezonden,
zoodat eerst in het volgende jaar eene beslissing te verwachten
is. En aangezien de sterkte van het voor Indië benoodigde
personeel grooten invloed heeft op de vaststelling der geheele
sterkte van het personeel der zeemacht, omdat er eene goede
verhouding behoort te bestaan tusschen den tijd van verblijf in
T; Indië en elders, moet eene beslissing omtrent de organisatie der ;
J zeemacht in haar geheel wachten op de beslissing betreffende
de sterkte in Indie".
I Wij zagen reeds boven, dat de Minister van Marine, bij
. j zijne intrede in het kabinet, in Mei 1894, zijne eigen overtui·
ging had in zake de soort der schepen, die voor Indie in de
j allereerste plaats noodig waren; eene overtuiging, zóó gevestigd,
dat zij konde leiden tot de indiening, bij de begrooting voor
1895, dus enkele maanden later, van het volledig voorstel tot
j het in aanbouw brengen van drie schepen, eene uitgave van
j 8,5 millioen vertegenwoordigende.
‘ Nu zouden wij willen vragen: ,,is het denkbaar dat deze
zelfde Minister niet ook reeds bij zijn optreden eene gevestigde
overtuiging bezat omtrent hetgeen er buiten die drie schepen
in Oost­Indie aanwezig moet zijn, ten einde de zeemacht in
_,, staat te stellen, hare taak ten aanzien van deze koloniën naar
j behooren te vervullen?"
j En wanneer dan deze Minister, na zich ,,beijverd te hebben,
r zijne denkbeelden aangaande de sterkte en samenstelling der
t soheepsmacht voor Ned.­Indie aan zijnen ambtgenoot van Koloniën
mede te deelen", op 14 Maart 1895, dus tien mcumdcn na zijn
{ optreden, een voorstel betreffende die sterkte en samenstelling
` aan genoemden ambtgenoot doet, - dan schijnt ons de onder-
{ stelling niet gewaagd, dat het moeielijkheden van iinancieelen
t aard zijn, waaraan het aanzienlijk tijdsverloop geweten moet
j worden, dat de Minister heeft behoefd tot het gieten van zijne
W denkbeelden omtrent de inrichting der vloot in den vorm van
een voorstel aan zijnen ambtgenoot van Kolonien.
Doch wij zijn er nog niet. Over het op 14 Maart ’95 ge­
dane voorstel en over de wijziging van het Koninklijk Besluit l
van 1866, werd nader van gedachten gewisseld, en ongeveer j
I
l
c ,r 1- , l ,_ K “