HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 81

JPEG (Deze pagina), 1.08 MB

TIFF (Deze pagina), 6.60 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

.`. K g; _ p
N ‘ ” 79
F worden met de werkkrachten en de arbeidsmiddelen, waarover
· wij beschikken, alleen dan ware het mogelijk, dat volgens een
i vast plan werd geproduceerd, waarbij niet gevraagd werd; wat
; zal het opbrengen aan winst voor particulieren, maar alleenzwelk
ï nut zal het opleveren voor de gemeenschap ?
. i Waar de Minister mij zoo heeft misverstaan, daar meende ik
. dat het noodig was om deze kleine opheldering te geven van
hetgeen door mij bedoeld werd.
Ten slotte een enkel, slechts zeer kort woord aan het adres
van den heer Kuyper. Veel is er reeds over gesproken, maar ik
zal trachten nog korter te zijn dan hij was.
, De heer Kuyper ziet het verschil tusschen hem en ons hierin,
­‘ g "_ dat hij zich bij historische toestanden wil nederleggen, terwijl wij
‘ voor die historische toestanden geen oog zouden hebben.
_ _ Ik meen dat die opvatting van den heer Kuyper onjuist is.
_ · Zeer zeker hebben wij rekening te houden met historische toe-
' i J standen, maar dan blijve men niet in Atjeh, wèl in onze koloniën
in het algemeen. Daar toch is een toestand, die gedurende
eeuwen heeft bestaan; daar zijn wij in het volksleven ingegroeid,
daar behoeven wij niet door een oorlog onze macht op te dringen
en te handhaven.
l De ,,historische ’toestand" van Atjeh is, dat Nederland, wil het
i zich daar vestigen, daar oorlog moet voeren; terwijl wij in de
_ andere deelen van onze koloniën onze positie in vredestoestand
handhaven. De historische toestand van Atjeh is; onze steeds
mislukte poging sedert 24 jaren, om den historischen tegenstand der
bevolking te overwinnen.
Juist omdat wij met den historischen toestand rekening houden,
juist omdat wij niet met witte kleeren rondvliegen en den werke-
lijken toestand onder de oogen zien, niet alleen dus op gronden
van recht en moraliteit, maar ook omdat het ons gedurende 24
" jaren niet gelukt is, Atjeh te veroveren, juist daarom willen wij
C den oorlog beëindigen door ons terug te trekken.
, De heer Cremer, Minister van Koloniën ......... . . . .
I A ‘ - Wat betreft wreedheden op Atjeh door verschillende sprekers
_ . besproken, daaromtrent schaar ik mij geheel aan de zijde van den
t E hoer Kuyper, toen hij zeide: wanneer hij aantoont concrete ge-
: ~ j vallen, zal het monopolie der verontwaardiging daarover niet zijn
bij eenige partij in de Kamer, maar zullen alle partijen, ja alle
§ leden individueel, ook de Regeering, dergelijke wreedheden niet
·· vergoelijken of aanbevelen.
lk wensch in dit verband, de woorden aan te halen, waarmede
j de Minister Bergsma op 22 September 1896 een uitvoerig betoog
- besloot in antwoord op eene vraag van den heer Goeman Borge-
sius, woorden waarmede ik volkomen instemming betuig:
,,'1‘evens blijkt echter voldoende uit de gewisselde telegrammen,
. 4 dat de Nederlandsche en de Indische regeering, beiden ten sterkste
j gekant zijn tegen het mutileeren, gelijk het terecht algemeen is
gi afgekeurd. Mocht zich dit enkele geval hebben voorgedaan, hetgeen
’ bij een leger uit verschillende elementen bestaande niet geheel
E
g.
'l
Lef