HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 77

JPEG (Deze pagina), 1.16 MB

TIFF (Deze pagina), 6.51 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

' ï ’ `,ï;""G» >¤"·". v ’_ ‘ ·* ~’ "’ "‘jf­#ï~‘t"'·rj‘<‘·v=*l;··*~ V "’= ’ v = . Y ·'~· v t. -;?§;..t:`,
.,xï‘ 1.;, V.­, j t q i v S · ` S t . l . ` I *
.· 75
li dat die commissie een juist oordeel zal vellen over den eisch, om
met behoud van onze volkenrechtelijke stelling op Sumatra den t
jj oorlog te beëindigen, dan moet die commissie naar Sumatra gaan.
js De minister schijnt dus van oordeel te zijn, dat men, om een goed
t oordeel over de toestanden op Sumatra te vellen, daarheen moet
` gaan. Ik geef den Minister in overweging, zoo spoedig mogelijk
. een biljet naar, Sumatra te nemen en gedurende dien tijd schorsing
van de behandeling dezer begrooting te vragen, en terug te komen
wanneer hij zich aldaar op de hoogte heeft gesteld, om het licht
_ _ dat hij alleen daar kan opdoen, hier te laten schijnen.
e Verder is door den Minister aanmerking gemaakt op de toevoe-
P ging, welke in de motie voorkomt, namelijk dat van de commissie
' it'; ‘ worde gevraagd, binnen een bepaalden tüd met haar rapport gereed
te zijn. Welnu, ik meen dat het noemen van een bepaalden tijd
_ binnen welken een werk gereed moet zijn, volstrekt niet ongewoon
_ t is. Deze quaestie is alleen, of die tijd lang of niet lang genoeg .
( is. Wanneer de Minister overigens met de motie medegaat en de
- termijn, in de motie genoemd, is hem te kort, niets staat hem in
_ den weg, een verlenging van dien termijn voor te stellen. Een
argument tegen de motie is het in geen geval.
· Ik kom nu op de oeconomische belangen. De Minister heeft
hetgeen ik naar aanleiding daarvan in het midden heb gebracht,
K misverstaan. Vooreerstheeft de Minister de opmerking gemaakt,
dat er bij mij wantrouwen tegenover den Minister schijnt te bestaan.
ï . Ja, zeide hij, niet alleen tegenover den Minister in zijne qualiteit,
i maar ook tegenover den persoon des Ministers. Wat betreft het
wantrouwend karakter der motie, zoo heb ik in mijne rede -­ het
is heden door den heer Van Kol herhaald - niets anders gezegd,
dan dat de motie bedoelt een vijandig optreden tegen de Atjeh-
politiek van de Regeering, van den Minister; zij bedoelt volstrekt
· ; niet de verklaring, dat wij bijv. eene oppositie quand même zouden
i willen voeren tegen hetgeen de Minister buiten de Atjeh­zaak zou
j willen doen of voorstellen. Dit bovendien in antwoord aan den heer
I Ketelaar, die straks het terugnemen, want anders was het niet,
van zijn steun, welken hij had willen verleenen aan de motie,
` ' motiveerde met de woorden, dat hij na de toelichting van den heer .
· pi Van Kol had gemeend, dat de motie volstrekt niet bedoelde een ‘
g vijandig karakter tegen de Regecring, terwijl uit mijne rede en
t . uit de tweede rede van den heer Van Kol zou zijn gebleken dat
het wel het geval was. Dat vijandig karakter heeft onzerzijds
betrekking op de Atjeh-politiek en wanneer de heer Ketelaar en
`W zijne medestanders in zake de Atjeh-politiek vijandig staan tegen-
_. over dezen Minister, kunnen zij zich scharen bij de voorstanders
S , van deze motie, wantibuiten de Atjeh-politiek wil deze niet gaan.
' De heer Ketelaar heeft zijn steun verleend aan de motie en ik weet
wel, dat eene motie steunen niet altijd beteekent: met den inhoud
. ervan medegaan; maar in dit geval hebben wij kunnen vernemen,
` dat de ondersteuning oorspronkelijk bedoelde goedkeuring van den
F inhoud. De heer Ketelaar heeft zijn steun aan de motie echter niet
i toegezegd nà, maar reeds vóór de toelichting van deu heer Van Kol.
Naar aanleiding van het misverstand van den Minister moet ik
ä
·