HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 75

JPEG (Deze pagina), 1.10 MB

TIFF (Deze pagina), 6.52 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

- · ‘ 73
­
­ ° de besmetting der realiteit waagde, maar dan ook het zalig
1 zelfbewustzijn had, van geestelijke vertroosting en practische ·
l g verzachting aan het lijdende volk te hebben gebracht.
_? . Is nu zoo ook het verschil tusschen die heeren en mij niet dit,
1 j dat zij hun ideaal hoog houden, maar buiten rapport met de
t · P historie en de realiteit blijven, en is niet juist mijn beweren, dat
1 ; de realiteit invloed moet hebben op ons ideaal?
1 K Van de zijde van den heer Troelstra zijn nog een paar op-
r· , merkingen gemaakt, die ik wel kort, maar toch even meen te
2 , moeten aanstippen. Hij wraakte mijn gebruik van het beeld der
t _ ’ verjaring. Mag ik nu vragen, wanneer eens iemand een lieftallig
, V kind van den huize vergeleek bij eene roos, en er was een door-
1 ' ) { geleerd ·botanicus, die hoogwijs opmerkte: eene roos is eene bloem,
,, en eene bloem heeft een steel en blad, maar een meisje heeft dat
t alles niet, dus gij hadt een meisje geene roos mogen noemen,
, , wat zou dan de indruk hiervan op de heer Troelstra wezen?
1 Laat hij daarnaar dan afmeten, wat indruk zijne woorden op mij
l maakten, toen ik in overdrachtelijkm zin natuurlijk van verjaring
- gespioken had, en hij als hooggeleerd rechtsgeleerde mij kwam
1 vertellen, dat verjaring een rechtsinstituut is en eerst plaats heeft
t na 30 jaren. Ten andere heeft de heer Troelstra ons ook ver-
­ weten, dat wij als Christelijke partij hier de Christelijke beginselen
r in den steek hadden gelaten. Ware het niet veiliger geweest,
Mijnheer de Voorzitter, indien de geachte spreker op dit punt het
k voorzichtige voorbeeld van den Minister van Koloniën had gevolgd,
.t door niet te spreken van dingen waar hij bleek niet van op de
.1 hoogte te zijn ? Uit deze speech blijkt toch dat hij niet weet, hoe
n de Chistus zelf in deze oordeelde en handelde.
a, Het geldt de vraag, of men, waar zekere onrechtvaardig be­
a, gonnen toestand eenmaal historisch geworden is, dien al dan niet
d heeft te eerbiedigen.
k Welnu, er is eenmaal een ander Atjeh geweest, het oude Pales-
e tina, en ook dat land werd veroverd, niet door Nederlanders,
.­ j maar door de Romeinen. De Christus nu heeft geleefd te midden
2, . . _ « van de uit die verovering geboren toestanden. Er waren toen
n _ 1 patriotten, die, evenals deze drie heeren, tegen dien geworden
n toestand reageerden. Maar wat heeft toen de Christus gezegd ?
Heeft hij de bevolking tegen de Romeinen opgezet en aan de
1 ’ V Romeinen het bewind betwist? Integendeel, toen men hem hiertoe
n verlokken wilde, zeide hij: geef mij een penning, en toen men
. hem die gaf, wees hij met den vinger op het beeld des Keizers,
el dat daarop stond, en sprak: Geef dan den Keizer wat des Keizers
.1 is. En die Keizer was de dwingeland te Rome.
e De heer Ketclaar: Mijnheer de Voorzitter! Ik was aanvanke-
n ’ lijk niet van plan in deze discussie het woord te voeren, doch de
t loop der debatten heeft er mij toe genoopt. Waar ik aanvankelijk
e de motie van den heer van Kol van harte gesteund heb, gevoel
jl ik mij na de verschillende toelichtingen die gegeven zijn, verplicht I
tt thans ook mijne stem van zoo aanstonds te motivceren.
n Ik vind in het algemeen dat motiveeren wel niet gewenscht, om-
AV