HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 7

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 6.01 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

l 5 rl
l Schandeluke oorlog. · lj
ig Laat ons Nederlanders, echter voorzichtig zijn 1 In tijden als deze,
t waarin de rechtszekerheid van kleine natiën meer en meer bedreigd
wordt en de Groote Mogendheden landen onderling verdeelen, fl
J oorlog maken en vrede sluiten, naarmate hun belang meebrengt, il
moeten wij hun niet als voorwendsel ons voorbeeld ter navolging _
` aanbieden. Nu stemmen opgaan dat de Amerikaansche kolossus den i
l , Spaanschenhavik van zijne Cubaansche prooi wil verjagen, moeten
', wij in tijds Atjeh, dat wij reeds een kwart eeuw martelden, los
ll laten uit onze klauwen. Want het recht is in dien oorlog niet aan · °
{ix onze zijde. Wat ons geacht Medelid de heer A. Kuijper volgens
A _i blz. 167 der Handel. v. d. II Kamer, zitting 1874/75 zeide, destijds C
' toen hij den Atjeh­oorlog onrechtvaardig noemde, en in de heer- jp
schende cholera de straf van Hoogerhand zag voor het daar ge- ,
pleegde onrecht, is thans in hoogere mate de zuivere waarheid. De fl
Sl l oorlog tegen Atjeh is onbillijk, is onrechtvaardig: strekt Nederland
tot oneer en tot schande!
,,«_ Want welke reden, welke voorwendsels hadden wij ten slotte,
·’ ‘ om die onafhankelijke Staten van Noordelijk Sumatra de macht onzer i
wapenen te doen gevoelen? hunne huizen te verbranden? hunne ‘
oogsten te vernielen? hunne landouwen te verwoesten? ziekten en ^
_ hongersnood te doen ontstaan, en hunne heldhaftige verdediging ,
van hun vaderland te straffen met uitroeiing tot op den laatsten man ?
öorzaken van den oorlog. li
Drie redenen gaf men op; 1. het plegen van zeeroof op de Atjeh-
sche kusten, 2. de voortdurende oorlogen onder de verschillende 1
Staatjes, en 3. gevaar voor inmenging van Vreemde Mogendheden.
. ; Geen enkele dezer voorgeveude oorzaken kan den toets van onbe- V
i vooroordeeld onderzoek doorstaan.
H l . Zeeroof. ,
K [ 1. Het plegen van zeeroof kan niet ontkend worden, doch was .
" het wel zoo erg als zoo vaak wordt beweerd, vooral op gezag van I
’ ‘ heftig schrijvende bladen der Straits-Settlements, die belang erbij
hadden, ons tot oorlog aan te sporen, daar Penang daaraan voor Y;
geen gering deel zijn tegenwoordigen bloei heeft te danken ? Doch °
het is niet bij de belanghebbenden in handel en scheepvaart, dat
wij moeten te rade gaan bij het ondernemen of voortzetten van
een oorlog, die aan beiden enorme winsten verschaft. Wij hebben ‘j
, de Atjehers nooit gespaard bij onze aanklachten, met de meeste
eff, zorgvuldigheid, daarvan kan men zeker zijn, is hun zonden-register =
nagegaan en bekend gemaakt. En tóch vinden wij alleen sprekende ‘ï
. feiten van zeeroof in 1831-1836-1844 en 1851 toen één Ameri- 4
kaansch, één Nederlandsch, twee Engelsche en één Napolitaanscli t