HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 69

JPEG (Deze pagina), 1.12 MB

TIFF (Deze pagina), 6.49 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

i e
' G7
, _ In zooverre en onder dat voorbehoud heeft de heer Kuyper recht
met zijne veroordeeling van alle koloniale exploitatie; doch geheel
« onjuist was zijn beeld waar hij Atjeh vergeleek bij den man wiens
, appelen men stelen kwam, en waarvoor hij over de heining wou 1
, springen om hem te kastijden. Zeker het beeld is niet zoo kwaad; i
, ’ wij wilden de appelen, dat zijn de landen van Atjeh, stelen; wij i
; · hadden reeds sedert jaren hare appelen gestolen langs de Oost-
, Y en de Westkust van Sumatra, en nn, nn de Atjehers hun laatsten
L ` appeltuin willen verdedigen, zou de heer Kuyper hen nog daaren-
l boven eenerammeling willen toedienen, slagen geven aan den man
­ dien men eerst heeft leeg geplunderd! Dat is toch al te sterk. g
) Maar genoeg daarover, ééne zaak staat vast. Al verlaten wij
» ‘· Atjeh, bijv. ons vestigende op P. Bras, dan is geene inmenging van l
, vreemde Mogendheden te vreezen, en dat doel wordt beter bereikt T
· zonder oorlog dan bij voorzetten daarvan. l
, _ _ Wanneer dus deze Minster de verantwoordelijkheid op zich wil
» laden van een oorlog, die geene reden tot aanvang, geen recht
Y ­_' tot voortzetting, geen te bereiken doel meer heeft, dan heeft hij
, i eene daad van onvoorzichtigheid gedaan. Indien toch bleek, en _
, eene commissie zou, met behulp der gezanten, zulks kunnen voor- E
bereiden, dat door het sluiten van een traktaat b.v. met Frankrijk
en Duitschland, evenals wij zulks reeds meermalen met Engeland
en andere landen hebben gedaan, de oorlog doelloos is geworden, I
moet deze verklaring hem zwaar drukken. >
_ l Atjeh onneembaar `
. Want dan is de verwoesting van Atjeh, het uitroeien der g
` Atjehers, en dat wordt ten slotte de onderwerping, een redelooze
gruwel. Wie het volkskarakter kent, weet dat elk Atjeher die
sneuvelt, aan zijne talrijke bloedverwanten den plicht der
weerwraak oplegt: al is het jaren later, de trouw aan de ‘
, ,,Vendetta" eischt het dooden der vijanden die hem versloegen. {
_ 1 Wij kunnen woningen vernielen en mannen dooden, zelfs '
* ( vrouwen en kinderen doen vallen, maar wij verminderen de weer- l
_ · ` baarheid der strijders niet, wel de onmacht der vredelievend ge- ;
­ zinden. Wij wekken aldus verbittering en steunen de oorlogszuchtige
. deelen der bevolking, die riets liever dan een guerilla-oorlog
. wenschen. Na eene nederlaag maken zij zich uit de voeten, ver- J,
. , dwijnen in ontoegankelijke binnenlanden om later, versterkt en met t
nieuwe hulptroepen, terug te komen; zij zijn overal en nergens en <
alleen te bereiken wanneer zij lust en tijd hebben om te vechten. T
Wij vormen een verbitterd volk in een verwoest land, dat wij met §
I bajonetten bezaaien, en waar wij allen, groot en klein, tot vijanden .
hebben gemaakt.
Zal men zulk een volk tot onderwerping brengen of het uit- g
roeien, waar het eene kwart eeuw lang heldhaftig weerstand bood "
( E aan vreemde indringers? ,,Greeft niet toe aan den volkswaan van §
een dag", riep Fransen van de Putte deze Kamer toein September ’
1876, reeds 21 jaren geleden, ,,tracht niet door krachtige middelen Q
eaèn eljnde aan den oorlog te maken; het zal n niet gelu/cken!" (II t Q
1 76/ 7, bladz. 49).