HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 63

JPEG (Deze pagina), 1.09 MB

TIFF (Deze pagina), 6.43 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

j W 61
. 'gepleeglde räiisdaad blijft met onuitwischbare letteren in hare boeken
opgetee en . e
l" Niemand heeft het recht te klagen over tekorten op de Indische
- begrooting, wanneer men deze moedwillig doet ontstaan door het
( nutteloos verspillen van rnillioenen op Atjeh. Niemand mag zich in
T vollen ernst als hervormer beschouwen, die niet voor alles dien
I doelloozen oorlog doet beëindigen. Moeten wij niet uit de Memorie van
‘ Antwoord van dezen Minister vernemen, dat, ,,zoolang de oorlog `
met Atjeh duurt," niet kan gedacht worden ,,aan opheffing van
persoonlijke lasten"; en dat ,,vele nuttige uitgaven moeten achter-
lt wege blijven, en op elk gebied groote zuinigheid worden betracht,
» al is de Regeering zelve overtuigd van de noodzakelijkheid dier
W ‘ · hervormingen"? Daardoor heeft deze Minister onze verwachtingen
teleurgesteld en is als hervormer van hem niets te hopen.
W De Minister heeft de meening uitspreken, dat er tusschen mijn
mede-afgevaardigde Troelstra en mij verschil zou bestaan over de
‘ ’ strekking der ingediende motie. Dit verschil bestaat niet, .daar
r ik - welke verwachtingen ik ook van den Minister heb gehad,
( wat verschillende hervormingen in Indië betreft - evenals de heer
Troelstra vijandig sta tegenover zijne Atjeh-politiek, en met de
( motie zeer zeker ee11 protest tegen die politiek bedoel.
Onderwijs, geneeskundige dienst, rechtspraak voor Europeanen,
spoorwegen en bevloeiingswerken eischen gelden ter verbetering;
de Minister ontkent dit niet. Krankzinnigen wachten op verpleging;
de tergende verpachting van belastingen aan de parasieten van den
Javaan eischen afschaffing; het opiumgebruik eischt bestrijding; ·
de dwangcultuur eischt ophefüng; Java zelf eischt de middelen
‘ om zich te verdedigen tegen een buitenlandschen vijand, ­- doch
` · alles en veel meer moet wachten, althans voor een groot deel,
want Atjeh moet verwoest worden.
Nuttige uitgaven moeten achterwege blijven, want .... Atjeh
moet verwoest worden. ·
,l_ Maar waarom dan toch? Met welk recht en met welk doel? Het
~ recht van den Atjeh-oorlog! Men heeft zelfs niet getracht het te
_ ,l_ bepleiten. De meeste sprekers, ook de Minister, wilde daarop liever
' f ’ niet ingaan. Men weerlegde de geschiedenis van het ontstaan van
gl _ dien oorlog niet; de ,,Sehwdmm" moest komen om het volledig gemis
; aan argumenten te verbergen.
) ‘« _ ' De heer Verhey geeft mij gelijk wat het historisch standpunt
betreft; de heer Kuyper heeft al 20 jaar geleden op het onrecht
3 aan onze zijde gewezen, maar er nooit iets tegen gedaan. In de
H 25 jaren dat Atjeh een jaarlijksch onderwerp van discussie is in
ons Parlement, is men er nooit in geslaagd op ietwat afdoende
4; wijze de rechtvaardigheid van dien oorlog aan te toonen, en nu
al zal men er voortaan ,,maar liever over zwijgen".
l Nooit is de aanklacht van Keucbenius (Handelingen Tweede Kamer
ll 1880;8l, bladz. 73) weerlegd, die sprak van ,,une mauvaise guerre
‘ dans une mauvaise cause", (1) en die den Atjeh-oorlog braudmerkt als
t .__._.
(1) Een slechte oorlog in een slechte zaak.