HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 61

JPEG (Deze pagina), 1.06 MB

TIFF (Deze pagina), 6.41 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

l 59 1
en
ä Wreedheden goedgepraat.
j` Men heeft gesproken over wreedheden in dezen oorlog gepleegd,
E wreedheden zelfs gepleegd op vrouwen en kinderen.
‘ ï Wanneer hier op straat standjes ontstaan en de politie moet {
j handelend optreden, dan gebeurt het ook wel, dat rustige voorbij- ‘
; gangers die met het standje niets hebben te maken, klappen t
I oploopen. Zoo gaat het ook in Atjeh. Daar kan het ook wel J
,l gebeuren, dat vrouwen en kinderen die op een afstand naar het
gevecht kijken, worden getroifen, men heeft een afgeschoten kogel 1
i_ niet meer in zijne macht. Maar van wreedheden in koelen bloede
‘, gepleegd heb ik niets gehoord. Ik geloof ook niet dat deze gepleegd
zijn.
Onze Hollandsche jongens, de vreemden onder wie zoo veel goede
krachten schuilen, de vrij zachtzinnige Javaantjes en de dappere
_ , Amboineezen zullen geen wreedheden in koelen bloede bedrijven.
Van iemand die tegenwoordig was bij het vertrek van de expeditie
naar Segli heb ik wel gehoord, dat toen bij het uitrukken onder
de militairen eene algemeene opgewondenheid heerschte. Er werden
L korte toespraken door de bataljons commandanten gehouden, waarbij
de soldaten gewezen werden op hun plicht tegenover Koningin,
vaderland en vaandel. De Christen-inlanders werden met een een-
voudig woord toegesproken door hunne inlandsche voorgangers,
‘ Welke woorden met groot gejuich werden begroet.
Het was echter geen gejuich van bloeddorstige dieren, maar het
getuigde van een opgewekt en blijmoedig aanvaarden van de zware
taak, die zij met gevaar voor eigen leven gingen volvoeren.
. Wel verre van zulke mannen te beschuldigen, past het ons, dunkt
mij, hun een woord van hulde te brengen voor de wijze waarop
zij hunne taak vervullen en voor de zware offers die zij brengen.
Ik wensch te eindigen ook met een woord van hulde aan de ¤
Indische Regeering, vooral aan den Gouverneur-Generaal, die, bewust
_,,,_, , van zijne verantwoordelijkheid, niet uit lust om op Atjeh te laten
"";' vechten, voortgaat met toewijding en kracht aan de oplossing mede
' . 1 , te werken, de zware taak te vervullen om uit den staat van anarchie
die op Noord-Sumatra heerscht, te doen geboren worden een staat
t van orde en welvaart onder onze vlag.
‘ · Vergadermg van 17 November 1887.
De heer Cremer, Minister van Koloniënz .............
Nu nog eene opmerking, die ik gisteren in den laten namiddag
verzuimde te maken, terwijl ik haar had willen doen, en welke
j toch, voor het goed begrip van onze positie in Atjeh, onvermijde-
lijk in het licht moet gesteld worden. Het is volstrekt niet onbekend,
1 want de stukken zijn aan de Kamer medegedeeld, maar ik geloof
· dat deze zaken niet bij alle leden zoozeer in herinnering zijn, en
dat is bij de veelheid van stukken zeer goed te verklaren. Welnu,
met de vorstjes op de kust van Atjeh zijn door ons tractaten ge-
sloten, of liever deze vorsten hebben verklaringen aangaande hunne
J '