HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 5

JPEG (Deze pagina), 974.06 KB

TIFF (Deze pagina), 6.02 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

` ' ri
1: ­ ­
ii V'ergader1ng van Dmsdag 16 Nov. 1897. »
l
~ b
,‘ ,! Van Kol, na de Indische iinanciën en de noodzakelijkheid van
,,’ verschillende sociale hervormingen in Indië te hebben besproken,
1 g gaat aldus voort:
§‘ Want van al die gewichtige, dringend noodzakelijke hervormingen
9* ; ·’. kan ten slotte toch niets komen, indien die kanker aan de wel- ‘
vaart van Indië niet met vaste hand wordt uitgesneden. De tegen- ï
`E woordige minister heeft dit zelf erkend, toen hij 13 November van
E , het vorige jaar erkende ,,liever op elk punt te willen bezuinigen dan ï
‘ J ‘ op Atjeh; de Minister moest dan ook niet f 300.000 maar drie millioen
jl aanvragen en het aanleggen van spoorwegen en irrigatie­werken des Q
,· 4 noods uitstellen". ,,Voor den Atjeh-oorlog moeten tijdelijk alle be-
` langen zwichten." ,
§ Zulke woorden moeten een gevoel van smart opwekken bij een g
‘ ieder, die het wèl meent met den Javaan. Men wil dus de dui- gl
· zenden hectaren bouwland der Solo­vallei maar laten verdorren door
droogte, de vlakten van Tegal en Bagelen door overstroomingen
laten teisteren, "rtruchtbare landouwen woest laten liggen, de zee-
havens onbruikbaar laten worden, in Bantam den inlander laten ‘ j
worstelen met ziekten en rampen, den Javaan in één woord laten
V- . honger lijden, tot aan Nederlands annexatiefanatisme zal zijn vol- _ E3
" daan. Want dat is het en die dwaze annexatie­geest alléen is T
W het, die ons dreef, onze hand te wagen in het wespennestzlljeh, en
= dat men opnieuw plannen vormt om een blinden sprong te doen in een 1
ander wespennest op Nieuw Guinea. Wegens het verschillend
~ standpunt dat wij moeten innemen, waar op Nieuw Guinea slechts
. eene fout wordt beraamd, die op Azëieh reeds is gepleegd, wilde ik
,_ A , ook de Vestiging van ons gezag op Nieuw Guinea bij hoofdstuk IV,
2 ” waar het trouwens behoort, behandelen, om thans eenigen tijd ii
gg ; van uwe aandacht te vragen voor de slotsom mijner besprekingen, ‘ ‘
"’ E ‘ die gewichtige, allesomvattende kwestie, dat levensvraagstuk van
· · onze koloniën,
2 A1]Gh. {
i Mijnheer de Voorzitter! Liever wilde ik dus den tijd gebruiken
I om een gewichtig punt te bespreken, eene vraag, die men eene A
4 levenslcwestie noemen kan voor Indië en Nederland beiden, eene
{in vraag, van wier oplossing de welvaart en de ontwikkeling van
’ Indië, de waarde van ons koloniaal beheer afhankelijk is, en dat j
is, de Aijeli-kwestie. Zoo gaarne had ik als jong lid dezer Kamer `
aan een meer ervaren Parlements-Lid de behandeling van dit be- ’
’n langrijke strijdpunt overgelaten, maar het kan niet anders en ik ,1