HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 47

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 6.28 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

lf,
en verantwoordelijk zijn voor de wandaden in Atjeh. En in de
tweede plaats staan wij sterk in deze Kamer, ook in deze zaak,
I omdat wij hier strijden voor toepassing der beginselen van recht
t, en menschelijkheid en gezond verstand, en naar mijne meening
` alleen staan, omdat wij niet uit allerlei oppertunistisclfe over-
, wegingen onze conscientie aan den kapstok willen en behoeven te
` hangen, maar flink en rond uit kunnen komen voor de heerlijke
$2 gevoelens, die iedereen mocht willen dat de zijne waren.
r In de derde plaats staan wij, ondanks de kleine minderheid in
f deze Kamer, sterk, omdat wij weten, dat krachtens het beginsel
‘ waaruit wij spreken, een groot deel van het Nederlandsche volk
aan onze zijde is.
- ? ­ 8Hoe ook in deze Kamer wordt gesproken over de Atjeh-geschie-
denis, een groot gedeelte van het Nederlandsche volk zal, goed
g- ingelicht, voelen hetgeen wij gevoelen, daar ons standpunt van
l recht weergeeft, hetgeen in het hart van dat volk omgaat. t
` "‘·. j Wanneer wij op dit oogenblik tot ons leedwezen constateeren, j
P dat de volksopinie nog niet rijp is, over den Atjeh-oorlog een juist
ii oordeel te vellen, en dat een groot deel door ophitsing tegen Atjeh 1
, wordt beheerscht - of wij met onze motie zegevieren, ja dan l
neen: wij stellen ons tot taak, heel Nederland doortrekkende, in l
‘ steden, dorpen en gehuchten, tegen het onrecht, dat sedert 24 jaar 1
. wordt gepleegd, het volk op te wekken, opdat, wanneer wij een-
, maal met eene protestmotie tegen den Atjeh­krijg terugkomen, wij K
­ ‘~ een groot deel van het Nederlandsche volk aan onze zijde hebben.
~ De heer Cremer, Mimbter van Koloniën: .............
Van dit onderwerp afstappend, kom ik thans tot den Atjeh-
oorlog.
i De heer Van Kol heeft de discussie over dit onderwerp ingeleid
met eene uitvoerige historische beschouwing, terwijl verschillende
andere sprekers meenden dat het eene atgeloopen zaak betreft,
waarop het niet noodig is terug te komen.
_ Het is mijne bedoeling niet de uitvoerige beschouwingen van
5 den heer Van Kol op den voet te volgen en geheel te weder-
‘ ` j ‘ leggen, want dit zou gaan buiten de perken van dit debat en buiten
g de grenzen van de verantwoordelijkheid, die de Regeering in dit
l opzicht heeft te dragen. Maar ik wensch toch met een enkel woord
_ ‘ _ de oorzaken van den Atjeh­oorlog te bespreken.
Gorzaken van den oorlog.
De heer Bahlmann heeft beweerd, dat de Atjeh­oorlog niets met
]" het tractaat van 1824, of juister, met de daarbij gevoegde verkla-
l ringen te doen heeft, doch uitsluitend met het tractaat van 1872. _
j En daarin heeft die geachte spreker in zooverre gelijk dat, zonder
, het Siak­tractaat, wij niet aan de integriteit van Atjeh hadden
mogen roeren. Maar die geachte spreker ziet voorbij, dat het trac-
. taat van 1824 c. a. ons in den toestand heeft gebracht, die het
{ voor ons noodig maakte om de handen op Sumatra vrij te krijgen,
l
fi 4
li r
ll ­ i
‘ lf . ‘