HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 43

JPEG (Deze pagina), 0.96 MB

TIFF (Deze pagina), 6.30 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

A
f
41
Dit was het vorig jaar, aan het eind van de zeer krijgshaftige _
rede, toen door den heer Kuyper gehouden. Ditmaal heeft hij misschien,
onder den indruk van de aangrijpende rede van mijn geachten ‘
gi? vriend Van Kol, deze incarnatie (1) van een onrechtvaardigen oorlog
‘ niet in den reuk van heiligheid durven brengen, maar toch te kennen
gegeven: wij blijven op Atjeh, Atjeh moet ten onder, ondanks recht
en billijkheid.
'De Ghristenen en Atjeh.
De heer Kuyper, die evenals de geheele partij waartoe hij behoort,
_ _ zich steeds het monopolie van Christelijkheid heeft aangematigd,
en, had zijne richting overwonnen, een Christelijke Regeering aan
Nederland zou hebben geschonken, heeft eene uitdrukking gebezigd,
{ die niet alleen een Christen, maar een menschelijk man pijnlijk
. j . moet aandoen, namelijk dat het geen tijd meer is om het onrecht
. van den Atjeh-oorlog te bespreken, want wij komen er 24 jaar te ,
j laat mede, de zaak is verjaard.
Dit cijfer deugt niet: er moet de helft af. Nog in 1885 heeft
. Keuchenius, het viiium origimls van den Atjeh-oorlog besprekend, zich
bedienende van de woorden van den heer Wintgens, over den 1
aanvang van den Atjeh­oorlog zich uitgelaten. ï
Wanneer het dan dus in 1885 nog de tijd was om te spreken ;
over den oorsprong van den Atjehoorlog, dan zijn wij ook den W
tijd niet 24 jaren ten achter, maar moet men daar 12 jaar van ‘
afnemen.
Eene andere vraag is; of het waar is, dat het onrecht van den
Atjeh-oorlog verjaard is.
· Ik kom daar met volle kracht tegen op. `
Verjaring is een instituut van ons burgerlijk recht. Het schijnt,
dat de heer Kuyper dit wil toepassen op staatsrechtelijke of `
moreele zaken. Q
Wanneer hij dit instituut dan wil nemen om het onrechtvan i
l den Atjeh-oorlog goed te praten, laat hij het dan nemen in zijn ‘
‘ ­ » · geheel.
In de eerste plaats is dan in het burgerlijk recht de termijn *
van verjaring langer dan 24 jaren, zij is 30 jaren. p
Dit is bijzaak, maar de groote kwestie is, dat verjaring alleen '
" 1, W ‘ plaats kan vinden wanneer er goede trouw bestaat.
ij De goede trouw nu van ons in den Atjeh-oorlog is steeds door
ij den heer Kuyper ontkend, daarom ontbreekt het groote element
voor de verjaring, welk instituut uit het burgerlijk recht hij hier
. heeft willen toepassen. `
* Maar deze opvatting van den heer Kuyper, deze toepassing van
de politiek van het fait aocompli -4 iets anders is het volstrekt
" niet - heeft niet altijd bij den heer Kuyper bestaan.
{ Het was 12 Mei 1875, toen de heer Kuyper zich niet alleen
L uitliet over den Atjeh­oorlog, maar ook over de wijze waarop de
(1) Verpersoonlijking.