HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 42

JPEG (Deze pagina), 1.10 MB

TIFF (Deze pagina), 6.30 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

rg N ,_7, ï7,.7Y.7.,T777_.7.,¤,·) 7.777, -7..ar _­i­-,-,2-;T­7·;­7­·T­;`S7-,SY_«q­;·-y­-<; iwg--yrjg;·?~­ï<ï·<Y:;«­«_v«:·tv1;5 v!ï^i"* F"";T*‘·¤l ""‘f'~‘?¥”"ï'ï"‘L7"«·;`,_•ï*?·>·?'i·v«,ï·<7 _ `
ü 40
ïj .. ..
<« . De partijen zijn redeloos.
Dit wat betreft de radeloosheid van de Kamer ten opzichte
pf van de Atjeh­qnaestie; maar bovendien heb ik beweerd, dat de sit
l ll indruk, door deze debatten op mij gemaakt, deze is: de partijen ‘
zijn redeloos. Wij hebben gisteren van den heer Kuyper kunnen
l. J· hooren, dat de schuld van den Atjeh­oorlog rustte op de liberale
partij. Welnu, niemand kan ontkennen dat in de eerste jaren, t
lj toen de Atjeh­oorlog aan doen gang was, de sterkste oppositie
gj tegen dien oorlog voornamelijk kwam van de ant1­revolut1onna1ren
Q en niemand kan ook ontkennen, dat de Regeering, onder welke de
j Atjeh-oorlog is uitgebroken, bestond uit liberalen; maar ik
f; il meen, dat de oppositie die door de anti-revolutionnairen en anderen ' `
jl in de Kamer is gevoerd, steeds is geweest een oppositie in woorden, __
· maar nimmer eeneoppositie in daden. I {
jj Diezelfde oppositie, die nu de schuld van den Atjeh-oorlog , ä _
` 5 van zich wil afwerpen, heeft altijd medegewerkt om de kredieten _
toe te staan, die voor het verder voeren van den Atjeh­oorlog
l` werden gevraagd; en toen die oppositie een tijdlang de ministerieele
j . zetels heeft bezet, heeft zij niet kloek en mannelijk gezegd; wij j
lj 5; trekken ons terug uit Atjeh en maken, coüte qui eoüte, een eind
ïè wi aan den Atjeh-oorlog; maar toen. moesten de mooie woorden en
lf heerlijke leuzen, eertijds verkondigd, wijken voor ,,practische" en
j p' opportunistische overwegingen en zouden wij ons alleen dan terug
lj trekken, wanneer het kon geschieden ,,zonder te kort te doen aan
’ de waardigheid van Nederland". Wanneer de Atjeh­oorlog wordt
li doorgevoerd, draagt dus niet alleen de liberale partij, maar de
Vi geheele Kamer de schuld, alle partijen, hoe die zich ook mogen
I ’ noemen. _
; ‘ Toch is de houding van de oppositie eenigszins veranderd; maar
niet in haar voordeel. Indertijd heeft zij zich met woorden en
[I argumenten, aan recht, moraliteit en godsdienst ontleend, tegen
,5 dien oorlog verzet; maar op het oogenblik is ook dit veranderd,
[Q is de oppositie kalm geworden. De vraag van recht wordt op
ljgt den achtergrond gesteld; de tijd is voorbijom daarover te spreken; · , . _
het recht en de moraliteit laat men rusten; wij staan voor een
W fait accompli, zegt men, eene bespreking is niet meer van onzen
ff ti'd, wij zwijgen en gaan voort.
YT JNiet alleen dit, maar men gaat zoo ver, om den oorlog, die ~ ( .­
Y als eene misdaad op onze ziel moest branden, een heiligen krijg
Q te noemen, daaraan altl1ans een glimp van heiligheid te geven. j
Wij hebben het vorig jaar uit den mond van den heer Kuyper,
die zoo vaak onze houding tegenover Atjeh had gegeeseld, de volgende `_
woorden moeten hooren: ·
lj l ,,Dan wete Atjeh, datfook in ons allengs een heilig besef ontwaakt, f
het besef der roeping, om niet alleen ons koloniaal bezit af te »
ronden, maar, wat veel meer zegt, om ook aan Atjeh eens die {
l zegeningen te brengen van veiligheid en orde, die Nederland, sinds ·
z hier het licht der Evangeliën doordrong, door Gods goede gunste k
t ontving en, God zij lof, nog steeds bezitten mag."
Y V M w N ” ur htnnrwrf VA N Y _