HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 35

JPEG (Deze pagina), 1.05 MB

TIFF (Deze pagina), 6.18 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

. 3
niet als onrechtvaardig, daar waar wij inderdaad moesten op- gl
treden tot verdediging van lijf en goed van de Nederlanders,
wier schepen door de Atjehers werden geroofd. Zooals ik zeide, `
l ik zal er niet verder over uitweiden, maar mij eenvoudig bepalen
· 5/ tot het geven van mijne adhaesie aan alles wat op Atjeh is ge- ,
jr schied en daar nu nog geschiedt; Wanneer wij de zaak onbe­ 3
ç vooroordeeld beschouwen, kunnen wij, geloof ik, zeggen dat wij in
{ het laatstverloopen jaar in Atjeh gekomen zijn tot een beteren
lj toestand. De geheele Atjeh­vallei is in rust en de bevolking is
g tot hare rijstvelden teruggekeerd. Hier en daar mogen er uitzon­ 4
ï deringen zijn, maar_ over het geheelmeen ik dat de toestand in
l de Atjeh-vallei bevredigend kan genoemd worden en wel tenge-
volge van het vestigen van de drie bivaks Tjot Mantjang, Indrapoeri
’ ' en Loknga.
i Door die drie kampementen beheerschen wij de geheele vallei I
en tevens houden wij in ontzag de nog vijandige hoofden die zich
,. . _ hebben teruggetrokken in het bergterrein, omdat die posten in de j
‘ onmiddelijke nabijheid daarvan zijn gelegen. De vorsten op de
,· kust zullen nu ook gaan begrijpen dat het ons ernst is met het
handhaven van ons gezag. l
In het vorige jaar heb ik te kennen gegeven dat het nuttig l
zou zijn sommige van de zoogenaamde vrienden eens terecht te .
zetten. Inderdaad heeft Segli nu eens een lesje gehad, en ik hoop
ï dat nog andere vrienden spoedig eene vermaning mogen ontvangen, .
opdat de vriendschap bevestigd worde. Q
, De motie in het vorige jaar door mij voorgesteld en op raad g
van den heer Cremer ingetrokken, heeft inderdaad mijns inziens 4
‘ eenig effect gehad. Meer dan vroeger toch is de aandacht geves- g
i tigd op de kust, op de scheepvaartregeling, op den invoer van ï
oorlogscontrabande, en op het overnemen der belastingen. t
In het Koloniaal Verslag vind ik opgeteekend dat de gouverneur
van Atjeh den tijd nog niet gekomen acht om de rechten of de j
belastingen van de kustvorsten over te nemen. Het zij zoo, maar
die mededeeling is toch een bewijs dat de zaak niet in het vergeet-
· ' boek geraakt is en de benoeming van een klerk van de scheep­
· . al , vaartregeling te Selok Semawé tot broeder van den Nederlandschen
, Leeuw strekt mij ook tot bewijs, dat onze ambtenaren op de kust ä
Q wakker zijn en dat de scheepvaartregeling op het oogenblik I
t geene fictie is. ,
- . · Met vertrouwen zie ik vooral den Minister Cremer aan het
werk, die mij in het vorige jaar van gindsche bank nog heeft ge-
zegd, dat hij een voorstander was van de overneming van de i
belastingen van de kustvorsten en ik verheug mij ook zeer over
de aanvrage van drie recherche­vaartuigen. Liever had ik gezien g
dat er tien waren aangevraagd, wanneer ik er op let, wat ons
wordt medegedeeld in het Voorloopig Verslag, dat juist de rivieren "
en de kreeken veelvuldig gelegenheid geven aan de kleine prauwen _,
om contrabande binnen te brengen en dat onze oorlogsschepeu
. daartegen niet voldoende kunnen waken. Ik noem bij voorbeeld T
~ het geval, dat geciteerd wordt in het Koloniaal Verslag, van het .
5 .