HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 34

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 6.18 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

,5;] §QQ'Q§; ..§l.QQ`] Q fi >’ ` ïQïf”"f;§ïïQQ;jï __W' K f_’; ·‘
, ­·- ~«· em- · »~· « er-I~,,.,ç;`...;;o.-..;...... . Q.; _
I .
l E
ä 32 °
il Welnu, men plaatse dergelijke mannen in de gelegenheid om te
li handelen. Men schenke hun de middelen die zij noodig achten om
hun doel te bereiken, men vertrouwe hen. Ik houd mij overtuigd,
j dat langs dezen weg, maar ook langs dezen weg alleen, datgene E
zal kunnen worden verkregen, waarvoor de geachte afgevaardigde, I.?
ll de heer Van Kol, te recht ijvert, namelijk eene pacificatie van
Atjeh, eene beëindiging van den treurigen, rampzaligen oorlog.
‘ De heer De Visser: .........................
1; Aan deze woorden, Mijnheer de Voorzitter, wensch ik nog een l
kort woord toe te voegen tot motiveering van mijne stem tegen de
ii motie van den heer Van Kol. · • i l L
i Mijn eerste bezwaar tegen die motie 1S dit: dat de consequentie _
van het standpunt van den geachten afgevaardigde uit Enschede ,’
i is: prijsgeving van onze koloniën; dat wil met andere woorden '
ll zeggen ; » of aanwijzing van de gelegenheid voor andere Mogend-
lj heden om onze koloniën in bezit te nemen, of het brengen van ‘ ­
die koloniën onder de verderfelijke macht van den Islam. `
Mijn tweede bezwaar tegen de motie van den heer Van Kol is ¢'
dit: Wie het boek van dr. Snouck Hurgronje over Mekka heeft
j gelezen, weet, hoe de Maliomedanen pochen en snoeven op hunne
1, macht, hunne overmacht over het Nederlandsche Gouvernement.
Nu geloof ik, dat als wij gingen handelen in den geest van den .
heer Van Kol, ons koloniaal bezit in het algemeen Werkelijk gevaar I
; zou loopen.
Eén ding in die motie lacht mij toe, namelijk het begin, waarin
staat: ,,Overwegende dat de oorlog met Atjeh als eene nationale
ramp moet worden beschouwd ..... " In het betoog van den hee1· ,
T; Van Kol scheen het mij toe, alsof hij dien oorlog alleen als eene '
·ï ramp voor Indië beschouwde en het verwonderde mij dus eenigs-
zins dat het begin der motie juist de overtuiging uitspreekt, dat
die oorlog eene ramp is voor de natie, ook voor ons, niet het
i minst met het oog op de talrijke slachtoffers die daar vallen.
{X Ik heb echter zooveel vertrouwen in de Regeering van ons
§ · vaderland, dat ik overtuigd ben, dat zij aan alles wat eene natie- `
§ nale ramp kan heeten, zoo spoedig mogelijk een einde zal maken, ' · ·
. ook in zake den oorlog met Atjeh.
’ l
Den heer Van Vlijmen: ...................... _ `
j Dat ik in geenen deele mijne adhaesie zal schenken aan de ' '
motie" door den heer Van Kol ingesteld, zal ieder duidelijk zijn,
die weet, hoe ik een vorig jaar heb gesproken over den toestand
i in A1'eh. · `
Dat] de oorlog eene nationale ramp is geef ik den heer Van
Kol volkomen toe. Elken oorlog beschouw ik als eene nationale
I ramp, als een kwaad, maar, helaas, die rampen zijn niet altijd te
i keeren.
I Ik wil dus ook volstrekt niet terugtreden in het verleden.
V Voldoende is door den heer Bahlmann aangetoond wat de oor- ‘
, zaken zijn van den oorlog. Ik voor mij beschouw den oorlog ”
t l
i ‘ ` . l