HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 32

JPEG (Deze pagina), 1.04 MB

TIFF (Deze pagina), 6.17 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

,_..- .. A` .. .-.. .»., .. ,.¢.· . W A‘ .;`A: _.< .‘.` ..'.@; ..'_...
l l
eo
è ä
l, non valet, tractu temporis convalescere non potest." (1) Het ongeluk
g van den Atjeh-oorlog zit reeds in de eerste depeche van den .
I, Minister Fransen van de Putte: ,,souvereiniteits erkenning of
l oorlog? Daardoor konden destijds de staats- en krijgslieden tot .
j geen andere overtuiging komen, dan dat wij Nederlanders in Atjeh, t
niet een staat van zaken zouden vestigen als op Midden Java t
; maar dat Atjeh onder ons direct bestuur zou komen.
De tweede groote fout is begaan in de bekende proclamatie van .
F generaal van Swieten, luidende: ',,wij Nederlanders zijn gekomen «l
l in plaats van den Sultan. Wij hebben de Souvereiniteit over het ,· ~ ·.
geheele land aanvaard. Het geheele land moet aan onze heerschappij l
li worden onderworpen?
Men heeft nu een ander middel in toepassing gebracht om tot
g paciiicatie van Atjeh te kunnen komen. ‘ ‘
§. Vergis ik mij niet, dan is van de Regeering niet te wachten: `
l herstel van het sultanaat op Atjeh. {
Het schijnt dat niet alleen de Indische Regeering, maar ook _
Et deze Minister van dergelijken eisch tot pacificatie niets wil '
weten. Ik zal daarop dan ook niet verder aandringen. Men wil .
nu eenmaal de souvereiniteit over Groot-Atjeh. Laat men dan
I, geen halve maatregelen nemen, maar in de ingeslagen richting
li consequent doorgaan ..... t
l· ~ ­· .
[ De heer Van Kaxmebeekz ....................
l Nog een enkel woord over het Atjeh-debat en de motie. `
F Het komt mii voor, dat tusschen de rede van den heer Van l
Q Kol en de motie die hij heeft voorgesteld, geen geheel logisch
ï verband is. Ik heb die rede met eenig leedwezen aangehoord,
l niet omdat ik meen dat beschouwingen als de zijne, niet vrijelijk in
» deze kamer mogen gegeven worden, maar omdat, wanneer de .
, klank van zijne rede mocht doordringen tot de Atjeh­hoofden,
, het zou blijken, dat het houden van die rede niet bevorderlijk i
ä was aan het doel, dat de voorsteller zelf met zijne motie beoogt,
namelijk het einde van den Atjeh oorlog. ,
l In die rede kwam veel voor over de rechtmatigheid of onrecht-
al matigheid van dien oorlog, in de motie wordt daaiover niet ge- « _ ,
l sproken. Wat nu dit punt aangaat deel ik geheel de meening van` ,
i den geachten afgevaardigde uit Sliedrecht, den heer Kuyper, voor ‘
{ zoover aangaat de oppertuniteit van een debat daarover. Ik zal ‘ ­
§ mij daarin dan ook niet verdiepen, ook niet na hetgeen door den · .
geachten vorigen spreker is opgemerkt omtrent het tractaat van
i 1872. Ik meen, dat het op het oogenblik overbodig is, die quaes- X
; tiën op te rakelen. l
j De motie echter afgescheiden van de rede, komt eigenlijk neer i
,; op het uitspreken van den krachtigen wensch naar beëindiging
.; van den oorlog. "
i Nu deel ik ook in deze de meening van den heer Kuyper, dat _ [
j 1) Wat van den aanvang af niet deugt, kan door geen verloop van E
jl tijd in orde worden gebracht. · ‘_
i
l lie I H
i ‘ ‘ ‘ le` ‘ .