HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 26

JPEG (Deze pagina), 1.09 MB

TIFF (Deze pagina), 6.26 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

, i . · ­ « · l · te ~ i. ,1 ‘` ` ` ,
I M
"
jul `
24
f Q wat dit punt betreft, met te verklaren, dat, al moge het pas op-
_= getreden Ministerie niet in alle opzichten mijne sympathie hebben,
j · ik er het vaderland toch mede geluk zal wenschen, mits deze
, ‘ Minister aan het einde van zijne vierjarige bewindsperiode zich ,
er zal mogen tooien met den lauwer, dat het hem te beurt viel dezen `~
j kanker uit ons koloniaal beheer uit te snijden en aan de lijdens­ H
Lt geschiedenis voor goed en altoos een einde te hebben gemaakt. . . . .
2 Van der Zwaag: Mijnheer de Voorzitter! Het moge vreemd j
,, zijn, dat ik als leek en jong lid dadelijk het woord vraag bij eene
begrooting, van welker onderdeelen ik - ik erken het gaarne -
T weinig kennis heb kunnen opdoen, maar waar wij verplicht zijn
, om deze week of in de volgende na aiioop der beraadslaging onze . .
jef stem pro of comm uit te brengen, moet men wel het woord nemen
lil om zijn standpunt als leek kenbaar te maken. Door kenbaarmaking
y`Q van zijn opinie geeft men dan meteen aan de specialiteiten gelegen-
fl heid, om zoo noodig ons nader in te lichten, ook zal het daarbij · S ·
; blijken, gelijk nu reeds het geval was, dat als men twee specialiteiten g
in de Kamer heeft, dezen het altijd oneens zijn, zoodat men het "
jij ten slotte op zijn eigen oordeel tocl1 maar moet laten aankomen.
jrg Ik ben het volkomen oneens met den vorigen spreker, den heer
V j Kuyper, dat wij ons niet nogmaals in debat moeten begtven over
ir! de rechtvaardiging van den Atjeh-oorlog, omdat een dergelijk _
V debat niet meer is van onzen tijd. Ik zou meenen dat waar
yf jarenlang op het recht van dien oorlog niet de noodige nadruk is
jij gelegd, het meer dan tijd wordt om eens dat al ofniet rechtmatige
fl er van op den voorgrond te stellen en al het mogelijke te doen,
j' zij het dan ook binnen de grenzen van ons Staatsrecht, om het
,¥l gedane onrecht, voor zoover dit 11og mogelijk is, goed te maken,
jl oi althans met het plegen van onrecht uit te scheiden.
Vanneer de heer Kuyper zegt, dat de liberale partij de verant- p
?‘ä¢ woordelijkheid voor de origine van den Atjeh-oorlog draagt, moet
{Q men bedenken dat, wanneer elk jaar de gelden, voor de voort-
äjl during er van benoodigd, zonder krachtig protest worden toegestaan, ­ '
wij te zamen aansprakelijk zijn voor de voortdumvg van dien ‘
äïf oorlog, die ons lang nog kan bezighouden, tot groote schade van ‘
Ind‘ë en Nederland.
De heer Kuyper heeft een beeld gebruikt, om eenigszins te recht-
I; vaardigen, waarom hij niet tegen het langer voortduren van den j , ,
Atjeh-oorlog protesteert, maar medegaat met de Regeering, welke
jg nog steeds oen oorlog door middel van geweld wil trachten te
*§?ï beëindigen. `i
Hij gebru kte het beeld van een jongen, die in den tuin van zijn
.;‘ nabuur is geklommen, om een paar appelen of zoo iets te rooven,
iets wat in zijn oog zeker onrechtmatig is. Vanneer ik, zegt de
heer Kuyper, als vader van dat kind zulks erken en daarom lijdelijk ,
gï zou kunnen toezien dat het kind voor die daad wat voor zijn broek
kreeg, dan zon ik toch, wanneer het bij de kastijding in levensgevaar
§;:" kwam te verkeeren, niet meer vragen watiecht is, maar toespringen,
omdat het bloed _kruipt waar het niet gaan kan en denjongen redden.
4
»l
mh.
i K ·