HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 25

JPEG (Deze pagina), 1.09 MB

TIFF (Deze pagina), 6.21 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

E
23
Door moorden tot het Evangelie. jj
Onze eenige roeping is en blijtt dan om een einde te maken aan
_ de stelselloosheid waardoor wij voortdurend den gang van de
' zaken sleepende _gehouden hebben en door dit slepend houden jl
l teweeg hebben gebracht dat telkens nieuwe millioenen verspild en ,‘
{1 nieuwe menschenlevens opgeofferd zijn. Nu het geval er eenmaal
» . toe ligt, gelijk het ligt, moeten wij stelselvastheid voor stelsel- ij
l loosheid in plaats stellen, en doortasten met alle kracht, en daarom jl
verheugt het mij zoozeer dat de Minister dit ook wil, en daar flink ë'
en kloek voor uit komt. Ik hoop dan ook, dat hij zich door niets ,
van dit eenige goede standpunt zal laten afdringen. Wat ons thans ë
t · te doen staat, is aan Europa en aan Atjeh te toonen, dat de
Hollanders, in hun soms ziekelijke flegma, vaak lang aarzelen en
weifelen, en niet dan schoorvoetend er toe overgaan om hun plicht
« te doen, maar dat we, eenmaal wakker geworden en tot een vast
‘ ‘ ' besluit gekomen, dan juist, dank zij dat zelfde ilegma, ook vol-
houden. Europa moet zien, en Atjeh moet weten dat, nu Nederland
`*‘ eenmaal zijn wilskracht liet opwaken, ook door zal zetten en niet
j zal rusten, zoolang we ons doel niet hebben bereikt. En dan ja,
r maar ook dan eerst, zal onze zedelijke verplichting weer spreken,
, om aan Atjeh het lijden te beteren, wat we het door den zoo licht- ç,
‘ vaardig ondernomen oorlog hebben aangedaan. Onzer zal dan de
l ‘ plicht zijn, om Atjeh in rijke mate de zegeningen te brengen Q
van een vast en ordelijk bestuur, de zegeningen van onze hoogere
l , beschaving en ontwikkeling, en ik voeg er bij, bovenal de zege-
ningen van het Evangelie, dat alleen waarlijk vrij maakt en verlost.
l Hoe de Minister het zal moeten aanleggen, om daartoe te komen, jl
laat ik in het midden. Geen Minister van Koloniën is bij machte,
j om hier in de Kamer een exposé te geven, waarin hij, met de
mathemathische zekerheid van een Moltke, ons zou voorrekenen,
‘ op welke wijze de vijand zal worden omsingeld en overwonnen.
Zelfs indien de Minister er bij machte toe ware zou ik het nog Qi
‘ zeer bedenkelijk vinden, wanneer hij hier zijn krijgsplan ging E
· openbaren. Aan den aandrang tot andere aanwijzing geve hij
‘ ' daarom niet toe. En wat men nu zegt dat wij op Atjeh nog
maar van zoo’n klein plekje meester zijn, ­·`an antwoord ik, dat
eene citadel ook maar een klein plekje is, vergeleken bij de ge- .2
_ , heele stad die ze bestrijkt, maar houd vol, dat wie de citadel
heeft, meester is ook van de stad. En zoo nu is het ook met l
, het kleine plekje dat wij in Atjeh hebben; Groot­Atjeh is de ¥
sleutel van heel de positie. Slechts tot één ding spoor ik den i
Minister aan, om toch door te tasten, en doortastend nu vind ik E-
,` niet wat de Minister ons omtrent de recherchevaartuigen voorstelt. F
` Die recherchevaartuigen moeten dienen om te beletten dat er A
_ niet voortdurend ammunitie in Atjeh, worde ingevoerd. Daarom ga
is het verkeerde zuinigheid karig op die recherchevaartuigen te E-
jk zijn. Willen we onze positie op de kust handhaven, maakt dan "
X. op eens het aantal dier recherchevaartuigen compleet. Aldus, `
Mijnheer de Voorzitter, sta ik in zake Atjeh, en ik eindig daarom .’
i
i ^ .