HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 22

JPEG (Deze pagina), 1.07 MB

TIFF (Deze pagina), 6.20 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

lil 1
20 J
lg .
r` bijzonder en de daarmede verband houdende evacuatiën, in 1895 "
i bijv. 2900 evacuatiën van die lijders; in 1894 1400,in 1893 2700,
y tengevolge waarvan de mutatiën aldaar aan de orde blijven.
j Volgens de Koloïiale Verslagen van 1896 en 1897 bedroeg het
. aantal lijders in 895 en 1896 resp. 3329 en 3412. In 1895 was Y
l het minder; doch in de daarvoor gaande jaren mede zeerbelangrijk.
Het geheele aantal afgekeurden aan berri-berri bedroeg in 1896 '
132 Europeanen en 877 inlanders, aan die ziekte overleden 16 i'
= Europeanen en 147 inlanders; doch alles wat tot nog toe in het ‘
‘ werk werd gesteld om haar te bestrijden; bleek te falen Indien
deze ziekte kon worden verdreven, zou de kracht van het Indische
leger aanmerkelijk toenemen .......
L2 Een Christen aan het woord. '
, De heer Kuyper : Mijnheer de Voorzitter! Het is mij een voor-
recht, ook mijnerzijds, waar ik aan deze algemeene beraadslaging , j _
4, · wensch deel te nemen, te kunnen beginnen met een woord van ·
ij, sympathie aan den nieuw opgetreden Minister van Koloniën. Op ·
,· zich zelf zou ik het, zoolang de oorlogstoestand in Atjeh voortduurt,
lj steeds mijn plicht achten geheel afgezien van mijn oordeel over
de overige leden van het Kabinet, de_n Minister van Koloniën te _
ju steuiïei; Maiar wlaatr bij den voorgïnger des Miniïer mij soms g
` moei ij vie is e mij aangenaam te unnen zeggen at tegenover _
{ dezen titularis de vervulling van dezen plicht mij zelfs, aangenaam is.
r Ik hoop zoo straks nog met enkele détails aan te toonen,Waarom
ik ook zijne Memorie van Beantwoording, in meer dan één opzicht,
met genoegen las. Maar laat vooraf, nu men ook mij in het
Atjeh-debat gehaald heeft, ook mijnerzijds een enkel woord mogen
jf zeggen over de Atjeh quaestie.
ij De heer van Kol heeft zijnerzijds gemeend het vraagstuk of er
ui? aan den Atjeh­oorlog een vitium originis kleeft, d. w. z. of die oorlog ‘
Ef rechtvaardig dan wel onrechtvaardig begonnen was, nogmaals in
jj debat te moeten brengen. Voor zoover l1ij dat deed heb ik zijn _
verhaal critiek met genoegen gehoord; ook al mag ikjnietverhelen _
dat zijn betoog voor mij niets nieuws bevatte, daar hij toch weinig _ ,
anders deed, dan nogmaals dezelfde denkbeelden ontwikkelen, die
vóór ruim twintig jaren reeds meer dan eens, in allerlei vorm, in
deze zelfde Kamer ontwikkeld zijn. Het eenige verschil tusschen
fl toen en nu was, dat, terwijl toenmaals die beschouwingen meest ·
van den kant der rechterzijde geleverd werden, zij nu eens kwamen
van d.e andere zijde. Doch ook al hoorde ik hem met genoegen
nogmaals die bekende critiek ontwikkelen, dit neemt niet weg dat
Q een debat over de rechtvaardigheid of de nietrechtvaardigheid van
den Atjeh-oorlog mijns inzien niet meer is van onzen tijd. Deze
critiek is en blijft een uiterst belangrijk onderwerp voorde histori­
sche onderzoekingen van den geschiedvorscher, maar hield mijns ­ j
inziens op te vormen een element van politiek debat of parlemen­ ·
ll taire discussie, wel te verstaan bij behandeling van de begroeting l_
jl van Koloniën. E
lf `1
in
J