HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 18

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 6.27 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

I l. ­,` ·‘ ·`r "," _
16
E van liet moederland. Veel is er gedaan voor betere verkeers- ,,
V middelen en irrigatie en al laat de oeconomische toestand van ’
· inlandsche bevolking zeker nog veel te wenschen over, hij is thi
I niet meer zooals hij met schrille kleuren door den heer van Kol
l is afgeschilderd. ­ ,
j De heer Verhey: Bij deze algemeene beschouwingen wensch t
j ik met enkele woorden de aandacht te vestigen op den tegen-
j woordigen toestand in Atjeh. Met belangstelling heb ik de uit-
£_ eenzetting van zaken van den heer van Kol gehoord, en ik ge-
­ loof dat uit een historisch oogpunt tegen veel van hetgeen door ,
J hem gezegd is, weinig is in te brengen. Evenwel behoeft dit niet `
i te leiden tot het aannemen van dezelfde conclusie als waartoe · ' ,
hij kwam. _ . `
Mijnheer de Voorzitter! In het Voorloopig Verslag wordt de
, toestand op Atjeh besproken en van verschillende zijden instemming
W betuigd met de tot nu toe gevolgde wijze van handelen, terwijl ' I .
t de Minister verklaart dat de Regeering van een consequent v0l­
j houden in de thans ingeslagen richting de beëindiging van den ,“‘~
. oorlogstoestand in dit gewest verwacht. Indien daaronder wordt
¤ verstaan het blijven beheerschen van de drie sagi’s van Groot-
I Atjeh, zooals thans geschiedt, dan kan ik mij daarmede geheel
’ vereenigen. Het is toch gebleken dat het krachtig en rusteloos op-
treden, de voortvarendheid waarmede is geageerd, de inspanning ·
f van de troepen gevergd, de offers die zijn gebracht, in Atjeh niet
te vergeefs zijn geweest.
Er werd weder t een toestand geschapen als toen de zegevie«
rende troepen van generaal van der Heyden in 1879, elkander
, van uit Lampenas en Indrapoeri te Selimoen de hand. konden
reiken. De toestand op Groot-Atjeh verbetert, naar de mede-
deeling van de Regeering, voortdurend, en er is tot nog toe geene ‘
aanleiding om te verwachten dat hierin verandering komt, wanneer
men blijft bedoelen den vijand in bedwang te houden, ­ wanneer
men, zooals de Minister van Koloniën in zijne Memorie van
Antwoord schrijft, onwrikbaar besloten blijft niet weder, door _
verandering van inzichten, al hetgeen verkregen is, in de waag- " je
schaal te stellen.
De kracht van leger en vloot zal daarvoor naar mijne bescheiden
. nog geruimen tijd noodig zijn en vereischt worden, dat in de
V sterkte van beide deelen onzer krijgsmacht op Atjeh geene ’
vermindering kan worden toegelaten. Het kan zijn nut hebben
_ hierop te wijzen, voor hen die de verwachting koesteren dat, als V
. gevolg van het in den laatsten tijd gevoerde beleid. de paciücatie
had moeten volgen of althans niet verre meer moest zijn; paciü- t
catie in dien zin, dat althans de voornaamste hoofden van het
verzet zich spoedig. aan ons gezag zouden onderwerpen.
De mogelijkheid bestaat dat hunne verwachting niet wordt
beschaamd. Waarschijnlijk echter acht ik het niet; de geschiedenis
, van den Atjeh-oorlog laat niet toe optimistisch te zijn. .
‘ De vraag doet zich dan voor of het Indische leger in staat zoude ,