HomeAtjeh in de Tweede KamerPagina 10

JPEG (Deze pagina), 1.04 MB

TIFF (Deze pagina), 6.18 MB

PDF (Volledig document), 83.49 MB

1 8
S' i
il ‘ Onderhoorigheden van Siak, een zijner vazalrijken. Wij Neder- i
" landers deden in 1829 en 1834 een aanval op Baros, die `werd I «
al afgeslagen met behulp der Atjehers. - ·
= In 1838 gingen oorlogschepen er op uit, om onze macht in Baros, if
Tapoes en Singkel uit te breiden. De radja van Singkel, Moham-
. med-Aroef verzocht, hem in rust te laten voortleven,want ,,wij zijn
een vrij volk en doen niemand kwaad"; .... hij vond het ook _
. ,,zeer onbillijk, zich eens anders goed toe te eigenen, alleen omdat
men meer geld en meer volk voor den oorlog heeft." Doch voor een
. beroep op recht en-billijkheid bleef onze regeering doof, en in 1839 ,
werd Baros, in 1840 Singkel bezet. In 1848 trachtten de Atjehers ·
Singkel van ons te heroveren, doch daartoe waren zij niet sterk r i
genoeg. Er werd gevochten in 1848-1849 en 1851, en men sloot wv
een tractaat met Troemon om dit onafhankelijk te maken van Atjeh, i A
dus in opstand te brengen tegen zijn leenheer.
Op de Oostkust van Sumatra had onze veroveringszucht den
` naijver, van Engeland opgewekt, dat zulke ernstige vertoogen uitte
tegen onze ,,agressieve" politiek van toenmaals, dat wij de posten ‘ · *
te Indragiri en Siak intrekken (1842). Wat wij eene halve eenw
Q geleden uit vrees deden, behoorden wij nu, alleen door rechtsgevoel _
" gedreven, te herhalen op Atjeh’s noordpunt. ‘ ‘
l öntrouw aan ons trjactaat.
In 1857 sloten wij met den Sultan het zoogenaamde Atjehtrac­ _
taat van handel en vriendschap, en als bewijs van vriendschap
sloten wij een tractaat met Siak, waarop Atjeh reeds lang rechten
had doen gelden, en waarvan de Sultan thans onze suzereiniteit
, erkende. Behalve Assahan hadden wij onze souvereiniteit doen
erkennen tot aan de Noordgrens van Tamian, altijd door de Atjehers
· afwerende tot, door eene expeditie in 1865, ook Assahan, en aldus
” de geheele Oostkust van Sumatra in onze handen kwam. In 1863
werden twee expedities naar Nias en in 1865 naar Singkel gezonden,
en het is dus niet te bevreemden, dat de Sultan van Atjeh steun .
‘ zocht tegen onze overweldiging, en zelfs in 1868 de Soevereiniteit g
§ zijner landen aanbood aan zijn godsdienstig Opperhoofd, den Be- l
heerscher aller Geloovigen, aan den Sultan van Turkije. Eene alles- " L .
zins begrijpelijke poging, om zijne onafhankelijkheid te bewaren.
VVij Nederlanders zaten van onze zijde niet stil; door het aischaifen
der diiferentieele rechten in Siak werd de Engelsche handel, door
het toewerpen van een brok op de kust van Guinea de Engelsche ‘ ‘
Regeering tevreden gesteld, en in November 1871 sloten wij een
tractaat met Engeland, dat ons op Sumatra, dat is tegen Atjeh,
· de vrije hand liet. Met al te veel gretigheid werd daarvan gebruik
Y gemaakt, en reeds 26 Maart 1873 de oorlog verklaard, die nog
thans in zijn volle wreedheid voortduurt.
Wn wilden den oorlog, ,«.
Wij hebben den oorlog gewild, het was onze schuld, onze heersch-
zucht, onze willekeur en veroveringsgeest, die den vreeselijken oor-