HomeHet sociale vraagstuk en de Christelijke religiePagina 59

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 8.32 MB

PDF (Volledig document), 80.51 MB

­ 4
w
v
. 57 .
wg niet allen eenen Vader? Hee/l niet een God ons geschapen? PVaaro2n han-
delen dan lrouwelooslü/c de een tegen den ander ?” Ook in het Onze V ader nl
ligt het zoo duidelijk uitgesproken. In elk Onze Vadez bidt de arme voor
den rg/ce, dat God hem zijn brood voor dien dag geve, en de rijke bidt het Qi
` I voor den arme. Het is nergens in dit gebed: mij of i/c; maar altoos wd en
ons. ,,Onze Vader, die in de hemelen zijt, vergeef ons onze schulden. Geef J
ons ons dagelijksch broodl"
Bl. 15 n°. 26. Maanen (niet Mammon) is een Arameesch woord, dat hapi- ‘
laal beteekent, en `door Jezus in Matth. 6 : 29 verpersoonlijkt wordt om
het te stellen tegenover Jehova. Gewoonlük spreekt men van het gouden j
1 half, doch ten onrechte. In de woestijn was de aanbidding van het gouden 3
i kalf uit het tegendeel van geldzucht voortgekomen, daar immers heel Israel r
juist zijn goud geo_#'e2·d had om het gouden hal/’ te maken; en wat alles afdoet,
in dit gouden kalf werd volstrekt niet het goud, maar Jehova, onder het
symbool der natuurkracht, aangebeden. Neen, de schriftuurlijke term, die
. als brandmerk voor de kapitaalvergoding dienst doet, is de Mamondienst.
Een dienst welks zondig karakter hierin ·bestaat, dat een rijke geld en goed
bezit, niet als het eigendom zijns Heeren, maar als hoorde het hem toe;
wat zich dan daarin wreekt dat hij waant heer over zijn geld te zijn, ter-
wijl het geld een heer wordt over hem. (lf WITZELSHOFER Unlersuehungen
uber das Kapilal, seine Nalur und Function. Tubingen., 1890, die wel niet in
onzen geest schrijft, maar de in dit kapitaal inherente macht toch duidelijk
doet uitkomen. En voorts Romsnïrus Jaenrzow, das Kapital 1884 en Swo-
PEL, das Kapilal, 1884.
Bl. 15 n°. 27. Zie Matth. 6 : 19, 20. _
Bl. 15 n°. 28. Zie Matth. 19 : 16-24.
Bl. 16 n°. 29. Zie Matth. 19 : 24. Op deze krasse uitspraak van Jezus
wordt veel te weinig gelet en er wordt veel te weinig over gepredikt. Uit
dit zeggen spreekt geen verwijt tegen, maar medelijden en deernis jegens
de rijken. Voor hen is de strijd om zich te bekeeren, zooveel moeielijker dan
voor de armen. Met het oog op zijn eeuwig welzijn, is het een voordeel, zoo
men niet rijk is. En die de zaak goed inziet zal dan ook in een rijk man, g
di-e waarachtig een kind Gods wordt, een duhóele betooning zien van
Gods vrijmakende genade. Slechts één ding duldt de Heere niet. Als na-
melijk de rijke het waagt den arme te verdrukken, dan toornt de Heere
gelijk dit zoo sterk uitkomt in de gelijkenis Matth. 18 1 23-25. ‘