HomeHet sociale vraagstuk en de Christelijke religiePagina 54

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 8.42 MB

PDF (Volledig document), 80.51 MB

.,,,­.,. ‘ "’`’ i" :5 “*""
.
ia
sê ,
lf
` ‘ 52
oefent; en dit is een verblijdeud teeken. Soortgelijke utopie als Freilancl
leverde ook, behalve Bellamy in zijn Looking öaclcwarcl, een Amerikaansch
anonymus ISMAR THIUSEN in zijn Loolving forwarcl. London 1890.
‘ l
j Bl. 8 n°. 9. A. Nnqunr, Socialisme eolleciiviszfe ei Socialisme lióéral,
j, Paris 1890, iniroclaciion p. Vl.
2 .
j Bl. 8 n°. 10. Zie deze schoone woorden aangehaald_ in de voorrede op
Qaalwe conferences cl’e'conomie sociale. Genève ei Paris, 1890, go. 6. 1
Bl. 9 n°. 11. De fout die veelszins begaan wordt, bestaat hierin, dat
men de Christelijke Religie alleen in verband brengt met de wereld van
i het gemoed. En ongetwijfeld is reeds in dit opzicht haar beteekenis voor
j de Sociale quaestie groot, in zoover er van de gesteldheid van het gemoed
bij rijken en armen, bij regeeringspersonen en onderdanen en zelfs bij de {
openbare tolken en woordvoerders zoo ongelooflijk veel afhangt. Wie er j
iets toe kan bijdragen, om de gemoederen beter te stemmen, doet dan ook, V
reeds daardoor, een uitnemend werk. Maar toch is l1et de Christelijke i
Religie verminken, zoo ge haar werking tot het terrein van het gemoeds-
. leven beperkt. Ze belijdt niet alleen den Christus, maar God Drieëenig,
Vader, Zoon en Heilige Geest, en heeft deswege als eerste Geloofsartikel:
1 ,,lk geloof in God, deu Vader, den Almachtige, Schepper van hemelen
K aarde/’ Doch hierin ligt dan ook uitgesproken dat de Christelijke Religie
ook een overtuiging moet hebben en schenken omtrent onze verhouding
V tot de natuur, tot de overheid, tot onze inedemensehen, en omtrent de
1 E menschelijke natuur en haar eigenschappen, d. w. z. een overtuiging juist
j omtrent al die levensverschijnselen, die tezamen de Sociale quaestie be-
`; heerschen. , g j .
j 4-
Bl. 9 110. 12. lk stem toe, dat kunst gemeenlijk uitsluitend van die
‘i kunsten gebezigd wordt, die uitlokken tot een aesthetisch oordeel. Toch i
_, ligt dit in het woord zelf niet, en het spraakgebruik, ook nu nog, laat _ E
breledere opvatting toe. Kunst van kunnen afgeleid, beduidt in den grond
niet anders dan een den menschpgegeven macht, om zich te ontworstelen
"aan de overmacht, die de natuur op hem uitoefent, en alleen wijl deze
[ `triomf van den mensch over de natuur het schitterendst gevierdwordt,
l waar hij `zelf de idee dier natuur schooner weet te vertolken, dan de nu
L i `vernederde natuur zelve, heet scheppende of vrije kunst thans lcansl in enge-
” ren zin. " *
x. · .
L . ` Bl. 10 n". 13. Zie' Gen. 3 : 15. De letterlijke woorden zijn: ,,Zoo nam j
jl ­de Heere _God den mensch en zette hem in den hof van-Eden, om dien
jv
S a
i