HomeHet sociale vraagstuk en de Christelijke religiePagina 40

JPEG (Deze pagina), 1.11 MB

TIFF (Deze pagina), 8.46 MB

PDF (Volledig document), 80.51 MB

j 38
Op elk punt schier van de Sociale quaestie geeft Gods
Woord ons immers de stelligste aanwijzing. Denk slechts
ä aan het Ifzzisyczm dat men voetstoots wil vernietigen, aan het
g Hazvclzjk {dat men in vrije liefde gaat omzetten, aan den Fa-
· miliebmzcl der geslachten dien 1nen door afschafling van alle
~ erfrecht wil ontbinden; en niet minder aan de Gcöooricrz, die
men onder wet en regel zal stellen. VVant, om nu met het G l
ë laatste te beginnen, noemde niet reeds Bilderdijk, nog zonder
Malthus te kennen, op grond van Gods VVoord al zulk drijven i
I, een mzqaizmz facimzs, een goddeloos bestaan, strijdig met Gods
stellige ordinantie, een áomiciclmm posácmáaiis, een vermoorden *
ij van het nog ongeboren nageslacht” SG)? Juist daarom echter
mag, zoolang Gods lVoord onder ons gelden blijft, de K0Z0­ [
j zzésaiie nooit tegengestaan. Gods aardrijk biedt, mits het maar j
g`; niet braak ligge, voedsel te ove1· voor meer dan het dubbele
millioenental dat thans onze aarde bewoont, en wat is het anders ·
dan eene mensehelijke follie, om op enkele plekjes van dezen j'
A ' aardbol zoo opeengehoopt te zitten, dat men zich in kelders en j
“ · sloppen versteken moet, terwijl elders streken, honderd1naal,groo­
{ _ ter dan heel ons vaderland, op den ploeg en den sikkel wachten,
of duizenden kudden van het kostelijkst rund ronddolen zonder ;
lj bezitter, >>VVeest vruchtbaar”, luidt de goddelijke ordinantie, [
‘ maar ook >>ve¢·m4Zt‘ kei am~cZr@jk", en niet overvalt het kleine
jl pleksken binnen uw zoo enge grenzen S7). Immers het huwelijk fé
,­ dat door zoo bekrompen geographie schade lijdt, moet door ons `
als Christenen hoog en in eere gehouden, en God straft ons i
met alle laster van wellustzonde en met den vloek der prosti­ l
Q tntic, zoo we zijn ordening ten deze weerstaan 88). En zoo
il is dan áezf Ifzzisyczm ons door datzelfde Woord van God voor-
geteekend en opgelegd als die wondere schepping, waaruit i
L het rijke weefsel van ons menschelijk organisch leven
‘ zich als van zelf moet voortspinnen. Ook hier hebt ge dus
niet te aarzelen. Ge weet wat u te doen staat. Niet wij heb- i
( · ben de maatschappij te organiseeren, maar slechts de kiem g
W _ van organisatie te ontwikkelen, die God zelf in onze mensohelijke JZ
l ii
l .
Il ?
I; ` f
a i
`