HomeHet sociale vraagstuk en de Christelijke religiePagina 32

JPEG (Deze pagina), 1.09 MB

TIFF (Deze pagina), 8.40 MB

PDF (Volledig document), 80.51 MB

V 30
V ken, en ten slotte in Von Bismarck haar gevvenschten staatsman “
g vond 69). Minder in een practisch program, dan in wetenschap-
ï z pelijk onderzoek ligt de kracht der Ilisiowiscáe scáool, die de
n illusie bestrijdt, alsof de thans bestaande toestanden en rechts-
j " Li verhoudingen een absoluut karakter zouden dragen, en alzoo·
i x de publieke opinie op wijziging van het bestaande voorbe-
__ ,` reidt en voor die Wijziging de wet poogt op te sporen ’°), ‘ _,
il Voeg hierbij, dat ook onder de minder dcciriuuire Libera­ ¤j
` ¢ listen almeer de neiging merkbaar wordt, om eenerzijds, 3 _
‘ couservuiief, d.i. ter conserveering van het bestaande, de hoog
noodige concessiën te doen; en anderzijds om in mdiculer rich- i
g , ting, door sterking van den politieken invloed der lagere klasse,. "
_ voor deze klasse tot lotsverbetering en voor de öezizfieude klas- ·
i' se tot inkrimping van de haar zelve sohadende privilegiën te· '
»/e geraken 71). Een korte opsomming, waaraan ik, om niet te
Q i onvolledig te zijn, ten slotte nog de groep der cynische Pee-, "
i simisteu toevoeg, die wel zien, dat er in het huis van onze
X moderne beschaving iets smeult, toegeven zelfs dat er ómml _
{ ` is, en dat, wordt het vuur niet gestuit, de vlam eener li
j alles vernielende revolutie straks laaie zal uitslaan, maar V
ll ölusscáeu nu eenmaal voor onmogelijk verklaren; en u dies g
met stoïcynsche kalmte profeteren, dat, gelijk eens de Ooster­·
Q? sche, en daarna de Romeinsch­Grieksche beschaving, zoo l
in ook onze moderne volkerenbeschaving bestemd is, om in de al
ii _ Zvirváua o11der te gaan ”). i
Vergis ik mij niet, M. H., dan heeft reeds deze vluchtige
schets mij tot mijn doel geleid, en liggen thans metterdaad
jl IQ, duidelijk de vezelen bloot, waardoor de Christelijke religie met
het Sociale vraagstuk moet sàamgestrengeld. Mij rest daarom in
het laatste deel mijner toespraak niet anders, dan dat ik die
lf; vezel;-en één voor één oplicht, en u doe zien, welke richting X
ze aan onze sáudiëu hebben te geven en welke richting aan E
_onze prucáy/c. Vooraf echter zij nog ééne bedenking uit den I
lf? weg geruimd, die, bleef ze staan, allicht de kracht van mijn betoog D
I
lie
t ’

w . [