HomeSeparatie en DoleantiePagina 32

JPEG (Deze pagina), 1.08 MB

TIFF (Deze pagina), 8.09 MB

PDF (Volledig document), 78.40 MB

p , ‘ Wi'?
lt
30 jrwnn wrom van nnroizinyrin. ,
I ` Spreekt nu dit onderscheid duidelijk bij de oprichting van
. ‘ een nieuw kerkelijk instituut, zoo moet uiteraard ditzelfde
A onderscheid ook de reformatie van een bestaaml instituut be-
~­ heerschen. Twee gevallen toch zijn hierbij denkbaar. Het ééne i
is, dat men geen middelen bezit om het bestaande instituut naar l_
jh den eisch van Gods VVoord te verbeteren; er dus eenvoudig
mee breekt; en alsuu een nieuw instituut, aan den eisch van ~
tl ' Gods Woord beantwoordende, er tegenover plaatst. Het andere t
_ is, dat men deze middelen wel bezit; ze aanwendt; en alzoo
je ej H hetzelfde instituut in beteren vorm bestendigt. In het eerste
jl l geval nu heeft men niet krachtens het ,,ambt der geloovigenii ,_
gehandeld overmits men tot oprichting van een nieuw instituut
H overging ; in het tweede wel. Een punt van gewicht, vooral met
het oog op onze tegenwoordige toestanden, en dat deswege- Q l_
iets nader worde toegelicht.
Als ik lid ben van eene geïnstitueerde kerk, die goed-- ‘._
‘ vindt hetzij door` een besluit van haar kerkeraad, hetzij ,4
i gedwongen door een vreemde macht, Grieksch, ltoomsch,
ll` l Armenisch of wat ook te worden, dan heb ik als ,,geloo­
jj vige” tweeërlei te doen: 1°. te waken voor mijn eigen ziel
I • en de ziel der mijnen, opdat de verkeerdheid van het insti­- E
il l tuut, waarin ik leef, geen verderf aanbrenge over mij of mijn
gl nakomelingen; en 2°. krachtens het ambt der geloovigen te j
­ 1 waken voor den welstand van de geïustitueerde kerk. Mislukt j
j dit laatste, en blijft geen middel meer over, om het
T instituut, dat ook aan mijn zorge en toezicht was toevertrouwd, g
zi in het rechte spoor terug te leiden, dan rust op mij de plicht Y
, 1°. om ambtelijke rechtspraak over het instituut te oefenen en
jj ` het te veroordeelen, wat Voetius de pozfcsms juriicmzrli noemt ;_
7 en 2°. om dit ambtelijk oordeel te bezegelen doordien ik mijn i
i , band met dit instituut losmaak. Doch hiermee eindigt l
dan ook voor mij de mogelijkheid van een handeling in
( het ambt der geloovigen. Daar toch dit ambt voor mij,
als gequaliiiceerd geloovige, wortelde in mijn lid zijn van
het instituut, kan er uiteraard van zulk een ambtelijke
handeling voor geen sprake meer zijn, zoodra ik uit dit
_ instituut uit ben, en zoolang ik nog niet tot een nieuw insti-
Vl tuut behoor. Ik keer dan terug tot den toestand, waarin J
. j li
v, i l
l E
. j _ j
1; l`
f 1