HomeBrieven over de burgerlijke regtsvorderingPagina 49

JPEG (Deze pagina), 773.03 KB

TIFF (Deze pagina), 6.48 MB

PDF (Volledig document), 37.26 MB

47
- F. Het kosteloos proceolereïi.
De bepalingen aangaande de toelating om kosteloos te
procederen strekken onze Vlietgeving tot eere. De arme
kan ten onzent zän regt krügen. Dat is goed en regt­
vaardig.
Maar de regeling dier toelating laat veel te wenschen
over. Zn is te gemakkeläk gemaakt en daarom dikwüls
eene plaag voor den regtsgeleerde, of een dekmantel
voor niet zeer prüzenswaardige speculatiën
Het is niet te veel verlangd , dat de onvermogende bä
zün verzoek voorloopig eenig bewijs levere znner vorde-
ring. De Wet eischt dit echter niet uitdrukkelük.
Zü staat het verzoek toe , tenzij de zveclerpartg bewüze ,
dat aanvankelük volkomen van de ongegrondheid van des
verzoekers beweren blnkt. hat is onbillük; want de
wederpartü , tenzü deze evenzeer onvermogend is, heeft
zware kosten voor hare verdediging te maken , waarvan
de onvermogende is vrügesteld.
Een verzoeker behoort altüd gehouden te zün tot
ondersteuning van zün verzoek eenigen grond aan te
voeren. Ik stel dus voor art. 862 Burgerlüke Regtsvor­
‘ dering aldus te lezen:
« De wederpartü kan het verzoek tegenspreken, op
V grond , dat reeds aanvankelijk niet genoegzaam blükt van
de gegrondheid van des verzoekers beweren, of dat van
de ongegrondheid daarvan volkomen blnkt, hetzü enz.»
De Regter zal alsdan meer zwarigheid mogen maken
*) Het klinkt ongeloofelijk, maar het is zoo, dat in 1851 , volgens
de statistische opgaven, het aantal der pro deo voor de Regtbanken
behandelde zaken bijna */, bedroeg van het geheele getal der aange«
bragte, en bü de Kantongeregten circa 17°/,, daarvan.