HomeBrieven over de burgerlijke regtsvorderingPagina 32

JPEG (Deze pagina), 799.19 KB

TIFF (Deze pagina), 6.30 MB

PDF (Volledig document), 37.26 MB

1
250
der algemeene burgerlijke en inaatschappelüke gemeen-
schap niet schade lijden of verzuimd worden
Het is daarom altüd op de teregtzitting tegenwoordig
en neemt ook in die burgerlijke zaken conclusiën, welke
de Wiet opnoemt, of waarin het Openbaar Ministerie _
zelf dit noodig oordeelt.
j Ik heb op die regeling , zoo als die in de artt. 324-328
voorkomt, drie aanmerkingen. `
Ten eerste geloof ik , dat de reeks van zaken, waarin
­ het Openbaar Ministerie tot concluderen reiyyligt is , te
ver is uitgestrekt. Ik wenschte dat soort van zaken,
waarin het Openbaar Ministerie concluderen moet, te
beperken tot die, welke publici ordinis zijn of den staat
en de vrüheid der personen raken , en derhalve tot die,
opgenoemd in n° 1 , 2, 3, 4 en 13 van art. 324. In
de overigen moge het Openbaar Ministerie concluderen ,
- wanneer het dit noodig vindt. Het is toch altüd ter
teregtzitting tegenwoordig en houdt dus van zelf een
wakend oog op alle processen. Eene vermindering van
dikwerf onbeduidende, maar niettemin lastige werk-
zaamheid zal daarvan voor het Openbaar Ministerie het
gevolg zijn. Die tüd kan beter worden aangewend.
Ten tweede acht ik het mededeelen der stukken aan
het Openbaar Ministerie vóór de pleidooüen onnoodig. O
Dit is ook alleen in zaken van gewone behandeling voor-
geschreven. Er wordt, zoo ver ik weet, weinig van O
gebruik gemaakt , en het Openbaar Ministerie concludeert
1 bijna nooit onmiddellijk na de pleidooäen. De artt. 326
en 327 zouden dus door ééne bepaling kunnen vervangen
{li is
*) Zie de Redevoering van den Minister vAN ixmixunn, bü v. 1). HONERT,
Burg. Regtsz;. png. 124; en Mr. J. DE Rosen icnnximn, in de Nederl.
Jaarb. v. Rey/sge/.·e»1 l·Ve/g. IX. _I. pag. 30.


J
EE
ll
ä
V?
lg.