HomeKolonisatie in onze OostPagina 32

JPEG (Deze pagina), 911.47 KB

TIFF (Deze pagina), 7.39 MB

PDF (Volledig document), 45.05 MB

*l' .
gi
jl
9ä .
P? so
‘ i` I
at, maken kan, als die armoede niet gevolg is van persoonlijke onbe­ I
kwaamheid, onwil en verdorvenheid van zeden. Men mag nooit
vergeten, dat er twee soorten proletarièrs zijn. En wie zal loochenen
welk een schat van ontwikkelbare krachten onder de proletariers
schuilt? De barmhartigheid eischt hierin nauwkeurig te onderscheiden. ik `
E En dan meenen wij als vereischte te moeten stellen, dat de land- j
verhuizer zij een zedelijke kracht, moedig, flink, bekwaam in zijn .
vak of geschikt tot bekwaamheid. Iemand, die of zelf reeds iets r
‘ bezit, of door zijn karakter en kennis voldoende waarborg geeft, .
· · om later terug te geven wat hem, zoo hij geholpen wordt, geleend
is. Bij den landverhuizer moeten dus aanwezig zijn de middelen
Wip (waaronder kennis, en onder kennis ook gerekend verstand van een
i in het gewone leven onontbeerlijk bedrijf of handwerk)- maar
i vooral den wil om door eigen werk in eigen onderhoud te voorzien,
den wil om zich duurzaam te vestigen, en een geordend, maatschap-
` pelijk bedrijfsleven invoerend een nieuw vaderland te scheppen, een Ki
jij nieuwen staat te gronden. I

ik De Regeering.
Na te hebben stilgestaan bij de hoedanigheid van den emigrant, * V
dienen wij thans te beschouwen de houding door de Regeering aan ‘
te nemen ten opzichte van de emigratie en van de kolonisatie in
.; · onze Oost. .
i i Wat de emigratie in het algemeen betreft, zoo komt het ons voor, F
O . dat zeer zeker geen enkele Regeering die onverschillig zou kunnen
fi aanzien. Het nationaal belang is te zeer daarmede gemoeid. Op
Q iedere Regeering rust bovendien in zekeren zin de verplichting om
i; rekening te houden met de zedelijke waarde en bestemming der ‘
geregeerden. Het is daarom bijv. niet genoeg om te straffen hen die [
de maatschappelijke orde schaden, maar in zekeren zin ook, voor
{ A zoover de Regeering zich daarmede heeft in te laten, door het in de l
1, vi hand werken van verhooging der zedelijkheid als het ware zoo pre-
ventief te ageeren dat het straffen minder noodig zal kunnen worden.