HomeNeerbosch' WeesinrichtingPagina 61

JPEG (Deze pagina), 940.24 KB

TIFF (Deze pagina), 5.87 MB

PDF (Volledig document), 97.34 MB

59
Overgenomen uit Het Oosten van 26 juli 1893:
De algemeene klacht in onzen tüd is over de dienstboden en
werklieden. Over ongezeggelüke en brutale dienstboden zün zeker
altüd jammerklachten aangeheven, doch in de tüden die wij nu
beleven is het, alsof men geen trouw meer bü hen vindt, aan
wie toch veel vertrouwen in het familieleven moet worden ge-
schonken. Een goede, trouwe dienstbode, een üverige, eerlijke
handwerksman heeft wellicht nooit een tijd gehad dat hij zoo
_geëerd en bemind wordt als nu. De oorzaak van dezen treurigen
toestand, die zooveel ellende in het familieleven teweeg brengt,
moet vooral gezocht worden in den geest, die overal hoe langs
·' zoo meer heerschende wordt en dat is: elk wil heerschen en
lt niemand wil dienen. Men acht zich te hoog, te voornaam, te edel
om met handenarbeid in zün onderhoud te voorzien. Men moet
heer of dame worden. Nu, indien men dit kan worden langs een
eerlijken weg, maar dan zal dezen moeten geëffend worden door
nauwgezette en üverige plichtsbetrachting en in de plaats die
men in demaatschappij heeft verkregen, wij hebben er niets op
tegen. Maar we meenen dat bij alle wijsheid van onzen tijd, die
van Salomo nog in reuzengestalte daarboven uitsteekt en deze
schrijft in zijne spreuken: ,,De hand des vlütigen maakt rük en
de luiaard moet verscheurde kleederen dragen."
We leven in een wonderlüke wereld. Wanneer men de heeren
en dames hoort spreken over opvoeding en verzorging van hen,
op wie zij als reuzen en reuzinnen met de meeste verwaandheid
uit de hoogte neerzien, dan is hun meening dat ontwikkeling,
kennis en beschaving nooit hoog genoeg kunnen worden opge-
voerd. Al de misdaden, die plaats vinden, schrijft men toe, aan
kennis en ontwikkeling. Mijne ervaring echter is, dat de boeven
in den regel de slimste zijn en tot nu toe heb ik nog nooit een
misdadiger ontmoet, die niet uitmuntte in kennis en wetenschap
L boven degenen, die van zijn stand waren. Ik ken zeer knappe
menschen, die in de maatschappij zeer groote beteekenis hebben
jp verkregen, die geacht en geëerd zijn van wege hun handel en
wandel en aan wiens wetenschappelüke ontwikkeling ontzag-
gelük veel ontbreekt. Doch onder hen, die door hun levens-
. wandel ballasten zün der maatschappü, en die aan al wat deugd
heet en een arbeidzaam leven met der daad toonen gebrek te
hebben, zijn de meeste wanneer het aankomt op wetenschappe­ {
à lijke kennis, dikwerf de eerste uit den kring, waaruit ze voort- i
kwamen.
l Het is daarom, dat het gedurende dertig jaren op Neerbosch j
ons streven is geweest om de opvoeding der weezen, die hier j
' verzorgd worden, zoo eenvoudig mogelijk te doen zijn. Van een ,
jongen en een meisje, die zich in de jeugd niet leeren behelpen, W
~ komt in het volgend leven nooit iets terecht. Wat zoumen zeg- _
gen van een dienstbode die, haar dienst aanbiedende bü de
vrouw des huizes, de vraag deed: heb ik ook een badkamer?
I want dat ben ik thuis gewoon geweest. Mag ik mijn slaapkamer
i