HomeEen menschwaardig bestaanPagina 5

JPEG (Deze pagina), 837.45 KB

TIFF (Deze pagina), 5.52 MB

PDF (Volledig document), 15.31 MB

- ä
` I
5
blinde dweepzucht staat in de schatting van allen boven de
lage zucht naar het bestaan; van allen, die zichzelf voor iets i
meer dan louter stof houden.
J Een menschwaardig bestaan is dus niet, ten minste niet 2
‘ alleen - dat alle stoifeläke middelen om te kunnen bestaan
voorhanden zijn. Integendeel, ons bestaan is daarboven ver-,
heven; volgens den een omdat er een voortbestaan is dat
boven alles in aanmerking komt; volgens den ander omdat
,· er dingen en beginselen zün die het oifer van ons bestaan
waard zijn.
Zoodra er van iets sprake is dat menschwaardig is,
komt niet alleen iets stoffelüks, maar ook iets geestelijks in
het spel. Want de mensch is een redelijk wezen. Daarin
ligt opgesloten dat hij niet alleen rechten, maar ook plichten
heeft. Met andere woorden: dat het bestaan niet alleen over-
eenkomstig de waardigheid van den mensch moet zijn, maar
ook dat de mensch het zich waardig moet maken en met
waardigheid er aan beantwoorden moet.
Tweeërlei verhouding van den mensch komt hierbij in aan- .
merking, en wel: die tegenover zijn Schepper en die tegenover
züne medeschepselen. ’t Ligt in den aard der zaak dat beide
j zijn bepaald door zijn Schepper en niet door den mensch zelf.
j De verhouding, waarin de Schepper zichzelf tegenover den
` mensch en den mensch tegenover zichzelf geplaatst heeft,
geeft het vaste uitgangspunt aan om te beoordeelen op welk
, nmenschwaardig bestaan" de menschen onderling tegenover
elkander aanspraak hebben.
Onbeperkt eigendomsrecht van hetgeen hü het züne noemt,
heeft niemand dan alleen hij, die in den volsten zin des
V « woords kan zeggen dat hij het gemaakt heeft. Dus moet
ook voor den maker de grondstof zelfs niet aanwezig geweest
_,' zgn. Want die de grondstof voorhanden vond, heeft aan het
Z, voornaamste niets gedaan en er dus geen onbeperkt rechtop.
i Wie niet aan een persoonlüken God gelooft, maar meent dat
ä er eeuwige stofwisseling bestaat, heft daardoor allerminst het
d­ilemma op; wantgndie eeuwige stof" heeft dan in ’t geheel
i’ geen eigenaar, maar hü die er aan gelooft moet zichzelf als
i een onderdeeltje er van beschouwen. Voor hem bestaat er
g dus in ’t geheel geen absoluut eigendomsrecht, maar is veeleer
alles zonder heer en meester; hetgeen in de praktijk neer-
g komt op het ruwe recht van den sterkste. Hg heeft geen
j basis voor een menschwaardig bestaan, maar kan alleen goed-
1 vinden dat ieder neemt wat hem ’t best lijkt.
yr WQ, Christenen, weten dat de stof het maaksel is van
[
l