HomeEen menschwaardig bestaanPagina 10

JPEG (Deze pagina), 839.07 KB

TIFF (Deze pagina), 5.38 MB

PDF (Volledig document), 15.31 MB

V v" r r - '),.. ..,..
A
j 10 `
plicht dat zooveel in hen is te bevorderen; en het recht het
te eischen voorzoover ze in de vervulling daarvan van elkaer
afhangen. M
, Wanneer er sprake is van »een menschwaardig bestaan," Q
denkt men uitsluitend of bijna uitsluitend aan hen, die door l`
hun positie in de maatschappij afhankelijk zijn van die hun-
ner medemensohen, wier geldelijk vermogen hen boven zulke
afhankelijkheid verheft. Aan de ondergeschikten, die genood-
zaakt zijn hun geestelijke of lichamelijke arbeidskracht te 1
verkoopen; aan de werknemers. Men doet de overgroote
, meerderheid van deze breede klassen der maatschappij onrecht
a door te beweren dat zij, om verbetering van hun bestaan 3.
I ijverend, alleen bedoelen ruimer dan tot nu toe van stoiïelijke
middelen voorzien te zgn, en dat ze tevreden zouden zijn
Q met meer loon, beter woning en krachtiger voedsel, evenals
een hond naar een kluifje en een goed hok verlangt. Inte-
gendeel, ik beweer dat er naar verhouding meer materialisme
gevonden wordt onder de hoogere dan onder de lagere stan- .
den en dat de overdaad daartoe meer aanleiding geeft dan
bekrompenheid van middelen. En het kan, dunkt me,·moeilijk
ontkend worden, dat verreweg de meeste eischen van den .
’ minderen stand zeer groot recht van bestaan hebben.
Wanneer de stof den mensch beheerscht en hem daardoor
L de gelegenheid benomen wordt om aan de geestelijke zijde
i van zijn wezen den rang te geven die haar toekomt, is zijn
l bestaan niet menschwaardig. Ik denk hierbij aan onmatigen
arbeid. Wél is het vonnis over den man geveld (niet over z
den mensch in het algemeen) dat hij in het zweet züns aan-
F schijns zijn brood zal eten, omdat het aardrijk hem doornen
en distelen zal voortbrengen ; maar ieder weet hoe genadig
Q dit vonnis door God wordt toegepast overal waar de mensch
g arbeidend rechtstreeks met het aardrijk in aanraking komt; 0
l en hoeveel het verzwaard wordt naarmate er menschen als
, bevelgevenden tot den arbeid tusschen staan. Niemand heeft
het recht, door overmaat van geestkracht of door overmaat
= van kapitaal daartoe instaat gesteld, zijn ondergeschikte zoo j
l zwaren of zoo langdurigen arbeid op te leggen, dat er voor
hem geen kracht of geen tijd overschiet om zich te restau-
reeren anders dan door een korten maaltijd en eenige uren
l slaaps. De machine moet het werktuig van den man zijn, en
j niet _de man de slaaf van de machine. Het beginsel, dat aan
de vraag naar een achturigen werkdag ten grondslag ligt,is
geen onzinnige eisch. Australië kan getuigen dat patroon en
werkman beiden zich bij den achturigen werkdag goed bevin-
N.