HomeMijne correspondentie met den Eerwaarden Heer J. H. Vaas, kapelaan te UtrechtPagina 13

JPEG (Deze pagina), 1.10 MB

TIFF (Deze pagina), 6.94 MB

PDF (Volledig document), 15.40 MB

L ‘ 13
t Twee uren nadat dit antwoord van Ds. ter mgner kennis was T
,5, gekomen, ontving ik een briefje, waarin Z.Eerw. mg verzekerde, dat
jr de laatste zinsnede hartelgk gemeend was en hg voorstelde door kalme
jl correspondentie een ontmoeting voor te bereiden, waarbg de zaak in , ~
. ` ’t reine kon worden gebracht. De persoonlgke ontmoeting werd door
` mg aangeboden. In zgn antwoord meende Ds. Q. dat het oogenblik
daarvoor nog niet was aangebroken en zette Z.Eerw. den stand der ·
, quaestie uiteen. ' ­
` Opnieuw gaf ik mgn wensch naar een persoonlgke bespreking te
kennen en sprak de hoop uit, dat de zaak door het volle daglicht j
mocht worden besohenen. Daarop deed Ds. Q. het voorstel, om samen {
i, naar de bewuste menschen te gaan, die volgens hem de eigenlijke `
t beschuldigers waren. Ik deelde daarop Z.Eerw. de redenen mee waarom
s ä ` ik op dit voorstel niet kon ingaan, wgl men n. l. geen beschuldiger
1 oproept als rechter of getuige. Tevens noemde ik Ds. Q. drie onpartijdige
‘. getuigen, bg wie gemakkelgk kon worden nagevraagd en die zich
T; ongevraagd bg mg hadden aangeboden. Van mgn kant deed ik toen
een voorstel, wat m. i. voor de eer van Ds. Q. nog het meest aan« _
Y nemelgk was. Dit geschiedde den 23 Februari. Toen daarop geen
s ? antwoord meer volgde, zond ik den 4 Maart een kort woord aan het
‘ Precli/cbeurtemblacl, als hier volgt: »
In no. 42 van dit blad heeft Ds. Quast na mgn openlgk protest tegen
i . de door Z.Eerw. in no. 39 uitgesproken beschuldiging, geantwoord op
eene wgze, die den indruk van zgn eerste sohrgvenmoest versterken.
T Ds. Quast had een onderzoek ingesteld en na een herhaald onder-
` zoek was het resultaat: ,,eer te weinig dan te veel gezegd". Aldus
p in het no. van 13 Februari. Na dien tgd is mg uit een particuliere ·
correspondentie met Z.Eerw. gebleken, dat Ds. Q. zelf reeds op 12 . ·
Febr. niet geheel overtuigd was van de waarheid zgner beschuldiging. Q
In een tweeden brief van 18 Febr. staat letterlijk, dat bg hem ik
· (Ds. Q.) de schaal te mgnen gunste overhelt.
Nu vraag ik slechts dit: Past het een eerlgk man, een beschuldiging
in het openbaar door hem uitgesproken, waardoor iemands eer en goede V
naam wordt aangerand, eenvoudig zonder bewgs te handhaven, of is 9
het plicht den verkeerden indruk zooveel mogelgk weg te nemen?
(datum en handteekening.) W
Dit werd noch geplaatst noc-h teruggezonden. Hiermede meen ik j
voldoende gegevens te hebben verstrekt, om den onpartgdigen lezer (
in staat te stellen, het geïncrimineerde stukje in no. 39 naar zgnjuiste
A waarde en strekking te kunnen schatten. ‘
(get.) J. H. VAAS, i
UTRECHT, 7 Maart ’97. Kapelacm. t
In een schrgven voor het Utrecïztsch I)agZ1ZacZ gaf ik des Donderdags­ .
avonds uiting aan mgne verontwaardiging, toen ik des Vrgdagsmorgens E
. den volgenden brief ontving: _