HomeMijne correspondentie met den Eerwaarden Heer J. H. Vaas, kapelaan te UtrechtPagina 10

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 7.03 MB

PDF (Volledig document), 15.40 MB

g " ""`U
5 _ Q
io
l s
Langer dan mij lief was moest ik een antwoord op dit schrüven ‘
uitstellen. Des Vrüdagsmorgens van de volgende week vernam ik, je
I, ‘ dat er een ingezonden stuk van den Heer V. ter drukkerü van het
` N ` Preclékbeartenblacl was ontvangen en verzonden aan de redactie. Het °~>
· werd m§ door haar des Zaterdagsnamiddags ter hand gesteld en was
. · van den volgenden inhoud: E
L In no. 42 van dit blad heeft Ds. Quast na mün openlijk protest j
j tegen de door ZEerw. in no. 39 uitgespreken beschuldiging, gea11t­ ·
woord op een wgze die den indruk van zijn eerste schrüven moest j
versterken. Ds. Quast had een onderzoek ingesteld en na een her- n
_ haald onderzoek was het resultaat: ,,eer te weinig dan te veel gezegd?
g Aldus in het no. van 13 Febr. Na dien tüd is mij uit een particu­ i
gi · liere correspondentie met ZEerw. gebleken dat Ds. Quast reeds op ‘
12 Februari zelf niet geheel overtuigd was van de waarheid zijner
I beschuldiging. In een tweeden brief die ik den 18 Febr. ontving `
g staat letterlijk: dat bij hem (Ds. Q.) de schaal ten mijnen gunste ¤
overhelt. - Nu vraag ik slechts dit: Past het een eerlijk man een l
beschuldiging, door hem in ’t openbaar uitgesproken, waardoor iemands `
~ eer en goede naam wordt aangerand, eenvoudig zonder bewüs te F
handhaven, of is het plicht den verkeerden indruk zooveel mogelük
, e weg te nemen? 4
. _ (get.) J. H. VAAS, ‘
Urnncnr, 4 Maart ’97. Kapelaaa.
’t Was mü niet mogelijk vóór Dinsdagavond te antwoorden. Mün
gQ antwoord luidde aldus:
r Den Eerw. Heer J H. Vaas, Kapelaaa.
Eerw. Heer! `
L.l. Zaterdag werd mg door de redactie van het Preoliïcbearteablacl j
j een schrijven van uwe hand ter inzage gegeven, dat mg ten hoogste
ii heeft verbaasd, om nu geen andere qualificatie te gebruiken. Legt gij
het zóó uit, dat ik op Uw jongste sohrüven eenigen tijd het zwijgen
heb bewaard, dan heb gij U in de beteekenis daarvan bedrogen.
1, Neen, Münheer, Uw laatste brief drong mg om opnieuw mün gegevens
te controleeren, want ik wil waarheid tot elken prijs. Geloof mij, als
if ik de overtuiging had gehad, dat hetgeen gzj beweert overeenkomstig
de waarheid is, ik geen oogenblik zou hebben geaarzeld zulks op de
; meest loyale wijze uit te spreken. Ik zou het zelfs gaarne hebben
. gedaan. Bij mij staat het onomstootelük vast, dat niemand er zich
T mede vernedert, indien hü gevoelt ongelük te hebben, dit ook ruiter-
g lijk uit te spreken. Magna est veritas et praevalebit. Maar ik
T begin meer en meer in te zien, dat dit in ons geval voor mg onmogelük
‘ 4 wezen zal. GQ wüst mijn voorstel af om samen naar het gezin M.
1
lk. .