HomeBegrip en dogma in de rechtswetenschapPagina 16

JPEG (Deze pagina), 1.07 MB

TIFF (Deze pagina), 8.37 MB

PDF (Volledig document), 33.76 MB

‘ 14
Een gemeentebestuur neemt van een smid eene dommekracht
ten gebruike. Nadat de gemeente dat werktuig drie jaren
heeft gehad, vraagt de smid eene vergoeding. Men zou zoo
meenen, dat die eisch billük is en op de wet gegrond:
immers novereenkomsten moeten te goeder trouw worden
ten uitvoer gebragt", zij ,,verbinden niet alleen tot datgene
hetwelk uitdrukkelijk bij dezelve bepaald is, maar ook tot
al hetgeen dat .... door de billijkheid, het gebruik, of de
wet, wordt gevorderd" (artt. 1374 en 1375 B. W.).Onze
kantonrechter oordeelt anders. HQ klampt zich vast aan de
woorden, die partüen bezigden, zegt dat aan geene andere
overeenkomst dan die van bruikleening kan worden gedacht
en dat bruikleening volgens de wet plaats heeft om niet.
Is zulk formalisme geschikt, om bij den gemeenen man ver-
_ trouwen te wekken in het recht, al worden dan ook som-
tüds dergelijke uitspraken door den hoogeren rechter ver-
i nietigd? j
· Een dogma, dat uiterst schadelük werkt op de rechtspraak, E `
is dat van de lüdelijkheid des rechters. Het beginsel van . .
p onze wetgeving, dat in het burgerlük geding de partüen
, ‘ vrij over hunne rechten kunnen beschikken, verdient in ’t
_ algemeen goedkeuring. Doch de wijze, waarop het door
de meeste onzer rechtscolleges tot in het uiterste wordt
V doorgedreven, leidt vaak tot schromelijk onrecht. Chicaneuze
verdedigingen, die door eene enkele vraag des rechters waren
te ontmaskeren, worden ongemoeid toegelaten. Tegen ein-
' delooze vertraging der zaak door de praktizijns verleent de
rechter geen hulp. Menige nuttige instelling van ons proces
- bijv. de verschijning der partäen, de plaatsopneming door
den rechter, het verhoor op vraagpunten - blijft ongebruikt
of wordt verijdeld. Het werkelijke recht lijdt schade, vooraj
i . V '