HomeOnze volksweerbaarheid, een nationaal belang bij uitnemendheidPagina 54

JPEG (Deze pagina), 804.28 KB

TIFF (Deze pagina), 7.05 MB

PDF (Volledig document), 44.90 MB

52 .
doel wil moet hier ook de middelen willen, en het geldt ’
dan toch ook slechts een zeer tijdelijke noodwet.
De tegenwoordige Regeering greep dan ook het laatst-
genoemde middel ter versterking der levende strijdkrachten n
in zoover aan dat op grond van de 2dè alinea van Art. 6
der Militiewet, dat is op grond van buitengewone omstan-
digheden, de diensttijd voor de ingelijfden bü de militie
te land van de lichting van 1883 en voor die bh de zee-
militie van de lichting van 1884 met een jaar werd ver-
lengd door de wet van 7 Augustus 1888. Hierdoor verkreeg V
men voor het leger 1) ruim 8000 geoefende miliciens
meer, waarvan er echter ruim 5000 2) noodig zün om i
de legerafdeelingen op de organieke sterkte te brengen,
waaraan ongeveer de helft van het aantal vrijwilligers en ook i
een klein getal miliciens ontbreken; de overige ruim 3000 man ‘
kunnen dienen tot eerste aanvulling van geleden verliezen.
Het is echter niet voldoende om aan het leger de orga-
nieke sterkte te geven met een zeer kleine reserve aan ,,
geoefenden, doch er moet in de te geringe sterkte van
het leger voorzien worden door nog meer geoefenden be- `
sohikbaar te stellen. Dit kan geschieden door den diensttüd {
voor de militie te land te brengen büv. op 8, die voor de ·
militie ter zee op 7 jaren. Men kan dan voor het leger ., _
reeds op 1 Mei 1889 twee en op 1 Mei 1890 drie lichtin- 1
gen miliciens boven de gewone vüf lichtingen verkrügen ‘
zonder aan de wet een terugwerkende kracht te geven
met betrekking tot reeds ontslagen lichtingen. Die zesde,
zevende e11 achtste dienstjaren geven voor de jaarlüksche i
lichting van 10.400 man 3), een vermeerdering aan ge-
1) Het verloop voor het zesde dienstjaar op 21 % stellende: 8216 man. 1
2) Op 1 Juni 1888 was dat getal 5335.
3) Het verloop respectievelijk op 21, 23 en 25% stellende: 8216, 8008 en
7800 maa. l
l
_ i
l