HomeArtikel 194Pagina 84

JPEG (Deze pagina), 628.51 KB

TIFF (Deze pagina), 5.80 MB

PDF (Volledig document), 63.58 MB

78
behoeft" ­­ kon het ministerie Donker Curtius in 1848
verklaren - >> men behoeft toch slechts een oog te slaan
in het veelbesproken Koninklijk besluit van 2 Januarij
1842 1, om de overtuiging te erlangen, dat nu reeds sedert
zes jaren de wet van 1806 geheel mank gaat. Bij dat be-
sluit toch is het sehooltoezigt verbrokkeld; de schoolboeken
zijn aan de censuur van geestelijken, van tegenover elkan-
der staande kerkgenootschappen onderworpen. En of er ,
iets aan ontbrak, is er bü bepaald dat ceteris paribus
op de godsdienstige gezindheid des onderwäzers acht moest
worden geslagen" 2. , ` j ‘
Met de wet werd geschipperd; en van dit schipperen
afkeerig wilde men haar loslaten. De Commissie, benoemd
bij koninklijk besluit van 17 Maart 1848, had Thorbecke
tot haren voorzitter. Door dezen was -- als we zagen -
in zün Proeve van herziening der Grondwet met
betrekking tot het onderwäs het volgend artikel geschre-
ven: >> De inrigting van het publiek onderwüs wordt door
de wet geregeld. De Koning doet" enz.
Uit de Bijdrage vernemen we: >> Het ontwerp der i
Commissie v. 17 Maart, eene nieuwe uitgaaf van het voor- j
stel v. 1844, week in sommige wezenlijke punten af van
de gronden, waarop, volgens mijne overtuiging, de Staats-
regeling moest worden gevestigd" 3. Nu had de Commissie
1 Zie boven, bladzij 66-67.
2 Handelingen over de herziening der Grondwet. in 1847-­
_ 1848. ’s Gravenhage 1848-1849. I, bladzij 392.
3 Bijdrage, bladzij 1. 1
1
E