HomeArtikel 194Pagina 76

JPEG (Deze pagina), 689.47 KB

TIFF (Deze pagina), 6.04 MB

PDF (Volledig document), 63.58 MB

.
*20
geheel of gedeelteläk te betalen? En eveneens brachten
i zijn beginselen mee, dat dit betalen den betaler geenszins
jy het recht gaf, het bäzonder onderwäs te regelen. Waar
T in de aangehaalde plaats een kruisje staat, verwäst Thorbecke
zijn lezers naar eene aanteekening, luidende: »Vergel.
boven op Art. 193 bl. 227 en op Art. 215 bl. 277 sqq".
2 Slaat men die plaatsen na, dan leest men: >> Over ’t algemeen
· is het een valsch beginsel, ’t welk de Grondwet, evenzeer
l als de gewone wetgever, doorgaans huldigt, dat de overheid
‘ deel moet hebben aan het beleid eener instelling, waaraan
j t zij geld geeft. Zie Art. 215". In de aanteekening op dit _ j,
l jj . artikel heet het dan onder meer: >> Het geven van geld j
ä toch, op zich zelf, kan geene andere zorg of deelneming
js g regtvaardigen, dan dat men rekenschap eische van de
E 7 bestemming".
Naar het mü voorkomt sluiten deze beginselen de onder-
steuning uit openbare kassen ook van kerkelijk gekleurd
bijzonder sehoolonderwijs geenszins buiten 1. Trouwens,
r . Thorbecke achtte den Staat verplicht om >>in de iinantiele ‘
ij behoeften van kerkelijke gemeenten, zooveel doenlijk, uit r
’s Lands kas te voorzien" 2. Waarom zou de Staat kerkelijke
gemeenten moeten büspringen, wanneer zij haar denk-
beelden verkondigen in een kerkgebouw, en het niet
C -_-··
I ,,Bij zijne eerste optreding als Minister, in November 1849, was Thorbecke VN
genegeu, een wetsontwerp in den geest van Groen vanPri11sterer aantebieden, E
(met openbare gezindheidsscholen), maar kwam hiervan terug en destijds
tot geen ander besluit”. (Mr. J. Heemskerk Az. De praktijk onzer
Q Grondwet. Utrecht, 1881. II, bladzij 159, aauteekening.) `
‘ 2 Bladzij 226. _
x
i l
____g__, gp___gg 4_g,g, jjjj jj , pp j