HomeArtikel 194Pagina 66

JPEG (Deze pagina), 643.66 KB

TIFF (Deze pagina), 5.94 MB

PDF (Volledig document), 63.58 MB

ij I
eo {E
de wet geving verscheen, ’t welk later door Thorbecke ;
als van hem afkomstig erkend werd 1. ,i
j Volgens Thorbecke waren de grieven in de zuidelüke
gewesten zeer overdreven. Doch in dit oordeel over een ii
bepaald geval ligt de beteekenis van het boekje voor ons
T niet. Zä ligt evenmin in den strüd tegen eene brochure,
,. welker schrijver tot het besluit gekomen was, >>dat art. 226 i
. van de Grondwet [van 1815] moet begrepen worden, niet .
alleen het toezigt, maar de uitsluitende leiding van het
onderwäs aan de regering op te dragen" 2.
ig Wä vragen liever naar de algemeene denkbeelden van 1-
Thorbecke omtrent het vraagstuk, dat ons thans bezig- J
l houdt. I
»Uit de theorie des S., die" - zegt hij - >>alleen aan ,
de regering het regt toekent, om het onderwijs aan de R
burgers te geven, volgt, dat zij bevoegd zg, om allen,
t die zich denken te wüden aan eenige openbare bediening ij;
of beroepsbeziglieid, te verpligten, om hunne opvoeding 1,
in de gestichten, van de. personen, en volgens de regelen, jx
door haar verordend, te ontvangen. Er volgt nog uit, dat
de regering allen, die buiten ’s lands onderwijs mogten
zoeken, van de publieke ambten uitsluiten kunne. Daar V
bestaat geene rede ter wereld, weshalve wä er niet nog ;
meer uit zouden besluiten. Volgens die theorie kan de
regering, om niet te zeggen, dat zij er toe gehouden is, i
1 Aanteekening op de Grondwet. II, bladzij 297, aanteeke·
ning 2. § j
2 Bladzij 20. ‘ {
` ·
{