HomeArtikel 194Pagina 41

JPEG (Deze pagina), 718.07 KB

TIFF (Deze pagina), 5.95 MB

PDF (Volledig document), 63.58 MB

?·i
« I { I I,
` 35 1 I
I 1
Wij vernemen uit dat staatsstuk, dat de schoolwet van " 1
i 1803 aanleiding gaf tot oneenigheid tusschen onderscheidene .
'collegiën en besturen; dat zij, »schoon reeds meer dan
F twee jaren voorhanden, in de aanzienlijkste helft van ons
I Gemeenebest nog in het geheel niet in werking, en in l'
l de andere helft niet dan schoorvoetende tot stand gebragt
I is"; dat zü , hoewel naar ’t oordeel van den Secretaris van
, Staat >>gevestigd op de zedelijkste gronden en beginselen",
toch »aan velerlei ongenoegzaamheden en onvolledigheden
I laboreert, hetwelk grootendeels moet worden toegekend _
aan de thden, waarin, en aan de omstandigheden, waar- j
I onder zij vervaardigd en gearresteerd wierd"; eindelijk,
I >>dat deze zelfde Schoolwet in verschillende opzigten aan- Q,
I loopt tegen de veranderde bepalingen op het stuk der
’, Regering, zoo ten aanzien der hogere als lagere magten
gemaakt". Tevens werd voorgeslagen, A. Van den Ende,
1 wien reeds sedert den jare 1800 in verschillende betrekkingen
" de behandeling van onderwüs-quaesties was toevertrouwd,
i eene vaste aanstelling bij het Ministerie van Binnenlandsche
Zaken te geven. Het stuk ging vergezeld van een concept- I
‘t wet, door Van den Ende ontworpen, en den 25St*=¤ Februari I
I 1806 werd resolutie van het Wetgevend Ligchaam de
derde schoolwet vastgesteld. 4
I Artikel 1 bepaalde: >>Het bijzonder opzigt over den
, staat en de inrigting der Lagere Scholen, alsmede over
E geheel het Lager Onderwäs, is, onder het oppertoezicht I
l van den Raadpensionaris, of van den Secretaris van Staat
1 voor de Binnenlandsche Zaken namens denzelven, en onder 1
I toevoorzigt van het Departementaal Landschaps­Bestuur, _ 1
l
l
ll i
I ‘ , 1 s yl