HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 8

JPEG (Deze pagina), 606.99 KB

TIFF (Deze pagina), 5.44 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

l

2
te spreken in een materie als deze, dientengevolge met
eenigen grond zou kunnen betwijfeld worden. j
Niettemin zijn er enkele redenen, die, naar ik
hoop, ook door U niet zullen afgewezen worden als Y
kunnende strekken tot verontschuldiging, wellicht ook ,
tot rechtvaardiging, van het waagstuk waartoe ik mij "
verstout. Daar is vooreerst de omstandigheid, dat, l i
behalve de smalsrechtelijke, ook eene kerkrechtelijke
züde aan het vraagstuk vastzit, en dat mitsdien staats- A
lieden en juristen, wel verre van het te wraken, ‘
· integendeel het misschien zullen toejuichen, dat ook inï
eens uit de kerkelijke wereld eene stem zich laat
hooren betreffende eene zaak zoo ingrijpend en inge-
wikkeld als eene herziening van dit deel onzer Grond-
wet den wetgevers voorlegt. Wat mij betreft, ik mag,
naar het mü voorkomt, rekening houden met het
feit, dat een philosophiae doctor reeds ten vorigen
jare op bemoedigende wüze mij is voorgegaan. Een
theoloog mag dus volgen. Te meer wanneer men het
volgende daarbij in aanmerking nemen wil. Dr. H. J.
Betz, wiens ,,rooversprookje" l) ik op het oog had, ' {
herinnert, 2) om ook zgn medespreken in deze zaak, ;
gewis ten overvloede, te rechtvaardigen, aan de onge- {
noemde ,,fransche vrouw, die tijdens de groote Omwen­ °
teling op het verwijt, dat vrouwen zich met staatkunde ;·
bemoeiden, antwoordde: Wijl we nu en dan geguillo­
1) In: Een en ander, bl. 5, verv.
2) B1. 19.
f
E
l